Reinoud Vermoesen, Georges Vande Winkel en Gabriël Redant.

Met deze eerste aflevering van 2019 testen we de limieten af van onze vereniging, letterlijk en figuurlijk. Allereerst hebben we na jaren van intense voorbereiding, de eerste stappen gezet naar een vrij raadpleegbaar, digitaal tijdschrift. Zoals aangegeven, zullen we zeker in de komende jaren nog steeds instaan voor een papieren uitgave, maar het voornaamste doel is dat we onze collectieve kennis met een zo breed mogelijk publiek willen delen. Vandaar de keuze voor een elektronische publicatie in open access. Vervolgens verkennen we ook de limieten van ons werkgebied. Door voort te bouwen op het jubileumnummer over Philips de Dijn, met een focus op zijn stadsgezichten, kunnen we ook de naburige, aangrenzende steden Dendermonde, Gent, Lessen en Oudenaarde in beeld brengen bovenop de steden en marktplaatsen die in het historische Land van Aalst lagen: Aalst, Geraardsbergen, Ninove, Ronse en Zottegem. Dankzij de
expertise van de auteurs én dankzij de mogelijkheden van een digitale verwerking, is met dit nummer een brug geslagen naar het verleden met een blik naar de toekomst.

De rode draad van dit nummer is duidelijk. Niet alleen willen de verschillende auteurs een accuraat beeld geven van wat De Dijn weergeeft, ook raken ze belangrijke vragen aan die hier al deels worden beantwoord: waarom hanteert Philips de Dijn zijn perspectief op het zuiden? Waarom beeldt hij bepaalde gebouwen af en waarom andere niet? Deze focus op de taal van het beeld past in een bredere trend die zich in het geschiedenisonderzoek manifesteert.

Sinds het begin van de jaren 1980 is de invloed van de pictorial turn onmiskenbaar voelbaar in de humane wetenschappen.[1] Zo ook hanteren onderzoekers in het historisch onderzoek het iconografisch materiaal als een volwaardige bron. De groeiende wetenschappelijke aandacht voor beeldcultuur, voor de mogelijkheden van het bronmateriaal maar ook voor de beperkingen van de (interpretatie van) beelden, leidde tot de ontwikkeling van een eigen methodologische aanpak, gekenmerkt door categorisering van zorgvuldig gekozen elementen (content analysis) en de studie van de betekenis van ‘tekens’ (semiotiek). Daarnaast maakt de spatial turn die zich manifesteerde eind de jaren 1990, dat historici zich steeds scherper van bewust zijn dat de ruimte ‘een sociaal productieve categorie is, die actief ingrijpt op de samenleving en die onderliggende productieverhoudingen reproduceert en fixeert. Ruimte is als dusdanig niet enkel fysiek, maar ook ideologisch’.[2] Dit houdt dus een duidelijke waarschuwing in. Er moet dus niet enkel aandacht gaan naar wát staat afgebeeld, maar ook naar wáárom dit gebeurde. Of in andere bewoordingen, de representatie van ruimte en dus concreet van grenzen, gebouwen, wallen, poorten, kerken enzovoort reproduceert een bepaalde maatschappelijke orde volgens de ogen van de opdrachtgever of de ‘maker’.[3]

Niet alleen de trends in het historisch onderzoek zijn van tel, ook in de geografie hebben zich belangrijke transformaties voorgedaan die maken dat we op een andere manier naar dezelfde bronnen kijken, dan enkele decennia geleden. In de new cultural geography brak men met de meer beschrijvende aanpak en gingen onderzoekers voluit voor de deconstructie van de representatie van ruimte. De (reproductie van) ruimte was immers een tekst die invloed uitoefende op de maatschappij.

In het licht van bovenstaande transformaties zijn de bijdragen in dit tijdschrift bijzonder. Wat verder voor het
voetlicht komt, is een sterk staaltje van interdisciplinariteit. Kennis over de cartografische representatie van het Land van Aalst, specifiek over het oeuvre van landmeter Philips de Dijn, wordt immers gecombineerd met de kennis van de taal van het beeld én met de feeling voor de historische context van het onderzoeksgebied. Er wordt voortgebouwd op de immense ervaring die leden van de Vereniging in de afgelopen decennia hebben geaccumuleerd, met een voorlopig orgelpunt de verzamelbundel over Philips de Dijn.[4] In deze bijdragen staan niet zo zeer de cartografische output of het oeuvre van De Dijn centraal, wel de stadsgezichten die hij produceerde op de bijzondere kaart van het Land van Aalst uit 1626. En net zoals Dirk Van de Perre en Georges Vande Winkel al aangaven in die jubileumuitgave, is hier enkel sprake van een work in progress. Dankzij de verschillende auteurs is het mogelijk om ruimtelijke elementen nauwkeurig te identificeren en te beschrijven. Andere vragen blijven echter nog onbeantwoord. Laat net dit nu een uitnodiging zijn voor toekomstige auteurs!


1. Jelle De Rock, Beeld van de stad. Picturale voorstellingen van stedelijkheid in de laatmiddeleeuwse Nederlanden, onuitgegeven Proefschrift, departement Geschiedenis, Universiteit Antwerpen, 2011, 15.
2. Jelle De Rock, “De stad verbeeld: de representatie van stedelijke ruimte in de late middeleeuwen en vroegmoderne tijd: een status quaestionis”, Stadsgeschiedenis, 7/2, 2012, 248-261. Jelle De Rock, Beeld van de stad, 18.
3. Peter Arnade, Martha Howell en Walter Simons, “Fertile spaces. The productivity of urban space in Northern Europe”, The journal of interdisciplinary history, 32/4, 2002, 515-548. Jelle De Rock, Beeld van de stad, 18.
4. Georges Vande Winkel (red.), Philips de Dijn (+1665). Cartograaf. Landmeter. Mathematicus, Het Land van Aalst, nr. 4/70, Aalst:2018.

Categories:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *