Hoofdaltaar met schilderij

 

Dr. Arnout Janssens, die zijn doctoraat in Rijsel over de zeventiende-eeuwse beeldhouwkunst in de Zuidelijke Nederlanden heeft verdedigd, was al te graag bereid om het altaar te bespreken. Zijn nieuwe opdracht heeft dat evenwel niet meer toegelaten. Hij hoopt in rustiger tijden toch de draad weer op te nemen. Heel wat gesprekken met hem en bezoek aan de kerk zijn zeer verhelderend geweest voor dit artikel, waarvoor mijn dank.

 

Algemeen wordt aangenomen dat het hoofdaltaar van de kerk van Sint-Pietersbanden in Erwetegem (Zottegem) afkomstig is van de Sint-Veerle-(Pharaïldis-)kerk te Gent. Frans De Potter en Jan Broeckaert waren de eerste die dit in hun bijdrage over de gemeenten van Oost-Vlaanderen noteerden.[1] Zoals meestal, vermelden zij geen bron voor die bewering. Later nemen de samenstellers van ‘Bouwen door de eeuwen heen’ de stelling van de twee auteurs over.[2] Die versie is moeilijk houdbaar als we de turbulente geschiedenis van die Gentse kerk even nagaan.[3]

Figuur 1. Hoofdaltaar in de kerk van Erwetegem (Zottegem)

Foto Arnout Janssens

 

De Sint-Veerlekerk, die rechtover het Gravensteen stond en waar het kapittel van kanunniken de diensten leidde, kent twee grote bouwfasen, één in de volle middeleeuwen en één na de godsdienstoorlogen, op het einde van de zestiende eeuw. In de periode van 1566 tot 1579 werd ze geplunderd en verkocht men veel roerende stukken. In 1581 werd ze voor een groot deel afgebroken. Alleen de dwarsbeuk en de toren bleven overeind. De dwarsbeuk werd ingericht als de nieuwe kerk, die vanaf 1585 opnieuw toegankelijk was. Veel resultaat hebben die aanpassingen niet opgeleverd want in 1614 verhuisde het kapittel naar de Sint-Niklaaskerk, aan de huidige Korenmarkt gelegen. De deels afgebroken Sint-Veerlekerk deed dan alleen nog dienst voor een dagelijkse mis, sermoenen en catechismusonderricht. In 1736 was de kerk opnieuw verlaten en werd ze gesloopt. Het jaar nadien heeft men ze tot een woonhuis omgebouwd. Recent archeologisch onderzoek heeft die evolutie kunnen bevestigen.[4]

Bij de studie van het hoofdaltaar van Erwetegem moet men een onderscheid maken tussen het eigenlijke portiekaltaar, dat voornamelijk uit marmer bestaat en een klein deel uit geschilderd hout, en het schilderij.

 

Hoofdaltaar

Tot onlangs situeerde men het barokaltaar in de zeventiende eeuw en het schilderij, dat de kroning van Onze-Lieve-Vrouw voorstelt, in de achttiende eeuw. Uit de bouwgeschiedenis van de Sint-Veerlekerk mogen we afleiden dat er na het vertrek van het kapittel in 1614 niet veel investeringen meer werden gedaan. De hoofdactiviteit vond immers in de Sint-Niklaaskerk plaats. Ik kan mij moeilijk indenken dat er na het vertrek van het kapittel nog geldschieters of confrérieën te vinden waren die in de bijna verlaten en gehalveerde Sint-Veerlekerk zo’n duur altaar wilden oprichten. Op welke bronnen hebben Frans De Potter en Jan Broeckaert zich gesteund om te beweren dat het altaar en schilderij afkomstig zouden zijn van die kerk? Ik heb er het raden naar.

Een mogelijkheid is wel dat men gemakshalve van de Sint-Veerlekerk sprak, terwijl men in  feite het had over een altaar of kapel in de Sint-Niklaaskerk, waar de kanunniken van Sint-Veerle sinds 1614 dienst deden. Overigens werd in de achttiende eeuw de kerk omschreven als ‘de collegiale kerk van Ste-Pharaildis tot Sint-Niklaas’. De beide auteurs hadden dus geen volledig ongelijk als ze het over de Sint-Veerlekerk hadden, terwijl ze in feite de Sint-Niklaaskerk bedoelden. In afwachting van grondige studies over de beide kerken blijft de vraag vanwaar het portiekaltaar komt, onopgelost.

 

Schilderij ‘Kroning van Maria’

Dezelfde auteurs beweren ook dat het schilderij eveneens uit de Sint-Veerlekerk komt en vermoedelijk van de achttiende eeuw is. Ook hier gelden dezelfde argumenten als bij het portiekaltaar. Het is derhalve zeer waarschijnlijk dat het schilderij afkomstig is van de Sint-Niklaaskerk. Maar ook voor die stelling zijn er bezwaren. Vooral omdat in de achttiende eeuw twee ambtenaren een overzicht hebben gegeven van de aanwezige schilderijen in die kerk. Geen van beide maakt melding van een schilderij met ‘De kroning of Hemelvaart van Maria’ als thema. De eerste ambtenaar, De Sadeleire, was  nog al vaag in zijn  beschrijving. [5] Zo schrijft hij in 1734 regelmatig ‘in de volgende cappelle en is niet raers’ of ‘het autaer stuck, in de cappelle van Gembloux, is van Cleef’. De tweede ambtenaar is in 1777 veel concreter en geeft telkens het thema weer evenals de naam van de schilder.[6] Ik mag dan ook aannemen dat die laatste ambtenaar alle schilderijen, die toen in de kerk hingen, heeft beschreven en dat er dus geen sprake is van een werk met de kroning van Maria als thema. Zo blijft de vraag vanwaar het schilderij komt, ook hier onbeantwoord.

Figuur 2. Schilderij van het hoofdaltaar, met links onder het wapenschild van Maria – Anna Cuyck.

Foto Arnout Janssens

 

Wel weten we dat het altaar en schilderij er na de bouw van de nieuwe kerk in Erwetegem, einde achttiende, begin negentiende eeuw, zijn terecht gekomen. Dankzij de uitvoerige visitatieverslagen van de zeventiende en de achttiende eeuw zijn we bovendien vrij goed ingelicht over de oude kerk, zowel wat het interieur als het exterieur betreft. Het decanaal visitatieverslag van 1717 meldt dat het hoofdaltaar en het tabernakel gemarmerd zijn, met andere woorden dat het toen nog van hout was en niet van marmer. In een ander verslag van 1774 is er sprake van het bestaan van twee schilderijen aan de beide zijaltaren maar niet aan het hoofdaltaar. De kerk werd in 1779 afgebroken en de nieuwe werd pas in 1792 ‘voorlopig’, ingezegend. De officiële plechtige inwijding vond in 1832 plaats. Zoals in veel parochies profiteerden de kerkbesturen tijdens de Franse revolutie van de sluiting van abdijen en kloosters om voor een relatief goed prijsje heel wat kerkmeubilair aan te kopen. Het is mogelijk dat ook het kerkbestuur van Erwetegem hiervan heeft gebruik gemaakt en via via het altaar heeft aangekocht. Bewijzen hiervan hebben we niet. Wel weten we dat hun orgel op die manier werd aangeschaft. Dit is afkomstig van het gesupprimeerd klooster van de zusters Marollen uit Oudenaarde (1805). De lokale bronnen melden ook dat men, ondanks de moeilijke omstandigheden, in de periode 1790 – 1802, toch nog in staat was om een preekstoel, biechtstoelen en een communiebank aan te kopen.[7] Nergens is er evenwel sprake van de aankoop van een toch vrij duur altaar met schilderij. Het blijft dus een raadsel vanwaar dit mooie barokaltaar in Erwetegem komt en wanneer het er terecht is gekomen.

De restauratie van het schilderij in 2013 bracht plotseling licht in de duisternis.[8] Men had namelijk vastgesteld dat er onderaan links van het schilderij een wapenschild op stond. Ongetwijfeld zou dit wapenschild ons leiden naar de eigenaar of alleszins naar de schenker of opdrachtgever van het schilderij. Het wordt omschreven als ‘Op goud met twee dwarsbalken van lazuur (blauw), beladen met acht merletten’. De merletten, ook wel mereltjes genoemd, zijn vogeltjes zonder bek en poten. Soms lijken ze op kuikens of eendjes. Meestal zijn ze in het zwart afgebeeld. Dit dier komt in de Lage Landen samen met leeuwen en adelaars in de heraldiek het meest voor.[9] Er is wel een probleem met de kleur op het wapen. In de heraldiek geldt het principe dat er geen metaalkleur (geel of zilver) op metaalkleur kan worden gebruikt. Hier is dat wel het geval. De dwarsbalk is in zilver en de basiskleur is goud en dat kan niet. Vermoedelijk heeft een vroegere restaurateur zich vergist omdat bepaalde kleuren niet meer goed te onderscheiden waren. De ‘fout’ kan alleszins niet bij de laatste restauratie gebeurd zijn, want foto’s die vóór de restauratie genomen werden, tonen dezelfde kleuren.

Figuur 3. Wapenschild van Maria-Anna Cuyck, opdrachtgeefster van het schilderij.

Foto Arnout Janssens

 

Dankzij de hulp van Dr. Annelies Somers van het Rijksarchief te Gent en Daniël Lievois (+) weten we dat dit wapenschild toebehoort aan de familie van Cuyck of Kuyck. Vermoedelijk is een lid van die familie de schenker of de sponsor van het schilderij geweest en heeft hij of zij daarom zijn/haar wapenschild laten aanbrengen. Steekproeven in de archieven van zowel de Sint-Veerlekerk als van de Sint-Niklaaskerk en navraag bij specialisten van de Gentse geschiedenis konden evenwel geen enkele link leggen tussen die familie en één of andere Gentse kerk. Tot wanneer we de vraag aan Pieter-Jan Lachaert voorlegden, diensthoofd van het Gentse Stadsarchief en voordien Stadsarchivaris van Oudenaarde. Hij signaleerde mij dat een lid van de familie van Cuyck in de Sint-Niklaaskerk gehuwd was. Meteen zaten we op het goede spoor. Maria-Anna Philippina van Cuyck van Mierop huwde er op 22 september 1670 met Abraham van Hoobrouck d’Aspen, heer van Asper, Zingem en Axelwalle, gelegen in Heurne (Oudenaarde), en schatbewaarder van Gent. Het jaar voordien waren zij met speciale toelating van de Gentse bisschop in de abdij van Ename gehuwd. Maria-Anna was immers protestantse en moest daarvoor dispensatie krijgen. Volgens bepaalde bronnen huwden zij eerst in 1669 in de abdij van Ename, waar toen Antoine De Loose abt was, en later in Gent. Maria-Anna van Cucyk was de dochter van Pierre, heer van Calslagen en Marie Anne de Taye. Abraham van Hoobrouck was de zoon van Louis, heer van Asper en Zingem en van Livine Dormael, dame van Axelwalle. Abraham en Maria-Anna hadden vijf kinderen: Karel-Frans, overleden in 1727, Hendrik-Karel, die kanunnik werd van de Sint-Baafskathedraal, overleed in 1742 en is in de zesde straalkapel begraven, Anna Catharina, die in 1743 overleed, Maria-Theresia die intrad bij de zusters van het Gentse Sint-Barbaraklooster, waar zij priorin was van 1708 tot 1723[10] en Jan-Lodewijk, die met Isabella d’Azuara huwde.

Abraham stierf op achttien augustus 1678 en werd in de kerk van Asper begraven, waar zijn grafsteen nog steeds aanwezig is. Volgens sommige websites zou Maria-Anna na het overlijden van haar man een tweede keer gehuwd zijn, maar dat moet ontkend worden. Maria-Anna overleed de dertiende augustus 1689 en werd eveneens in de kerk van Asper begraven.

Figuur 4. Grafsteen van de Abraham van Hoobrouck, heer van Asper, en Maria – Anna Cuyck in de kerk van Asper (c KIK, Brussel)

Foto Arnout Janssens

 

Op basis van al die gegevens is het niet uitgesloten dat Maria –Anna van Cuyck naar aanleiding van haar huwelijk in de Sint-Niklaaskerk, of na haar bekering tot het katholiek geloof, aan een schilder de opdracht heeft gegeven om een doek met als thema een scène uit het leven van haar patroonheilige ‘Kroning van Maria’ te maken. Het Erwetegems schilderij zou dus van kort na hun huwelijksjaar 1669 – 1670 en zeker van vóór 1689, jaar van haar overlijden, dateren. Gevoelig ouder dan wat tot hiertoe werd aangenomen.[11] Het blijft niettemin een raadsel hoe het komt dat zo’n belangrijk schilderij niet in de beschrijvingen van de achttiende-eeuwse ambtenaren voorkomt.

 

 

 

Aanbidding van het Kind Jezus door de herders

 

Het linker zijaltaar bevat een vrij groot schilderij dat enkele jaren geleden gerestaureerd is.[12] Het resultaat mocht er zijn en prompt zorgde het kerkbestuur voor een reproductie van zes postkaarten. Als identificatie geeft men op: ‘Anonieme Vlaamse Meester, begin achttiende eeuw’. Blijkbaar is er ook van dit schilderij weinig geweten. Het wordt voor de eerste keer in 1774 vermeld wanneer de landdeken, J. B. Bertrand, toenmalig pastoor van Appelterre, verslag uitbrengt van zijn bezoek aan de kerk van Erwetegem.[13] Dat betekent dat het schilderij vóór de afbraak van de oude kerk al aanwezig was. Onbekend is de schilder ervan. Wel heeft Albert Ysabie uit Gent bij de restauratie van het schilderij in 1977, tijdens het pastoraat van Guy Declercq, een notitie gemaakt over de vermoedelijke schilder. Hij denkt dat het schilderij moet toegeschreven worden aan Willem-Jacques Herreyns, een Antwerps schilder die leefde van 1743 tot 1827 en die veel van dergelijke thema’s heeft geschilderd.[14] In de Koninklijke Musea van Schone Kunsten te Brussel hangt overigens een schilderij met een gelijkaardig thema ‘De aanbidding der wijzen’.[15]

 

 

De bevrijding van Petrus uit de gevangenis

 

Een derde schilderij hangt aan het rechter zijaltaar en behandelt een scène uit het martelaarschap van de patroonheilige van de kerk: Sint-Pieter in de banden. Ook dit schilderij hing al in de kerk in 1774. Frans De Potter en Jan Broeckaert beweren dat dit schilderij ‘een gewrocht, zoo men beweert, van eenen inwoner dezer parochie’ is. Albert Ysabie wijst dit schilderij toe aan Pierre van Hanselaere, een schilder die te Gent in 1786 geboren is en er in 1864 overleden is. Hier is Albert Ysabie zeker fout, want de schilder is later dan de eerste melding van het schilderij geboren. Waarom zou het ook niet van dezelfde schilder zijn als die van de Aanbidding van de herders. Het is alleszins op hetzelfde ogenblik in de kerk geplaatst.[16]

Figuur 5. De bevrijding van Petrus uit de gevangenis

Foto Arnout Janssens

Muurschilderingen

 

Zoals in veel kerken werden in de negentiende en begin twintigste eeuw de binnenmuren rijkelijk met neogotische schilderingen versierd. In Erwetegem waren die tot het hoofdkoor beperkt en zijn al een tijdje, wellicht in de jaren 60 van vorige eeuw, verdwenen of overschilderd. Die waren het werk van de gebroeders Janssens uit Nevele, die later naar Gent verhuisden en veel kerken met neogotische motieven hebben versierd.

 

 

De kruisweg

 

Tijdens de ‘beeldenstorm’ van de jaren 60 en 70 van vorige eeuw heeft men in Erwetegem de veertien staties van de kruisweg laten hangen. Gelukkig, want het zijn waardevolle schilderijen op doek. Lange tijd was men onwetend over de schilder en de periode, waarin de kruisweg in de kerk terecht kwam. Tijdens de inventarisatie van het kerkarchief vond ik bij de kwitanties en mandaten, die pas vanaf 1900 bewaard zijn, één die uitzonderlijk teruggaat tot 1849. En dat was precies het ontvangstbewijs van de levering van de kruisweg. Uit dit documentje blijkt dat op 21 maart 1849 niet de kerkfabriek maar pastoor Jacobus Franciscus Nelis 795 frank aan een zekere J. De Loose betaalde ‘tot voldoening eener geleverden kruisweg’. Deze transactie vond in Sint-Niklaas plaats. Onderaan de kwitantie voegt de pastoor er aan toe dat het geld afkomstig was van collecten ‘De pecunia collecta pro viam crucis’.[17] Niet de kerkfabriek betaalde maar de inwoners van Erwetegem zorgden voor het nodige geld.

Wie zijn die twee personen? J. F. Nelis was in  Zele op 10 maart 1793 geboren. Na zijn wijding te Mechelen werd hij achtereenvolgens onderpastoor in Zingem, Bazel en Melle. In 1838 werd hij pastoor te Iddergem en vanaf 1 juni 1848 tot aan zijn dood op 4 februari 1867 was hij pastoor van Erwetegem. De aankoop van de kruisweg moet men dus situeren binnen het eerste jaar van zijn nieuwe functie. Met die veertien staties is het interieur van de kerk, die dateert van einde achttiende eeuw en het begin van de negentiende eeuw, ongeveer afgewerkt. Later zullen er nog enkele heiligenbeelden bijkomen en zal pastoor Claus in 1928 nieuwe brandglasramen in het koor laten plaatsen, die op karton getekend waren door de Gentse kunstenaar Edmond De Maertelaere (1876 – 1938) en uitgevoerd door de firma Coppejans eveneens uit Gent.

Figuur 6. Statie Kruisweg

Foto Arnout Janssens

 

Over de persoon die de staties leverde is er wat verwarring. Er zijn immers twee schilders die de naam van Jan de Loose dragen. De eerste betreft Jan Jozef de Loose (Zele, 1769, 22 november – Sint-Niklaas, 4 februari 1849). De tweede is Jan de Loose (Gent, 1809, 20 maart – Sint-Niklaas, 15 mei 1851).  De oudste was een schilder die tot 1825 actief was in Zele en van af dat jaar leraar en directeur van  de Tekenacademie te Sint-Niklaas werd, waar hij ook stierf. Hij was bovendien leerling van de reeds vermelde W.J. Herreyns.

De jongste was een stiefzoon van de vorige. Andere beweren dat hij in feite de echte zoon was van Jan. Lange tijd ging hij door als Jean-Benoit van Langenhove. Hij kreeg immers de naam van zijn ongehuwde moeder Anna Catharina van Langenhove. Deze laatste zal na het overlijden van de eerste vrouw van Jan in 1822 met hem huwen. Jean-Benoit zal zich vrij vlug laten doorgaan als Jan de Loose. Ook hij is een schilder, zij het een minder bekwame. Vader de Loose heeft vrij veel kruiswegen geschilderd, elf in totaal.[18] Van zijn zoon is er tot hiertoe slechts één gekend en die hangt in de Sint-Pieterskerk te Hamme.

Anderhalve maand na het overlijden van Jan Jozef de Loose (vader) koopt de pastoor van Erwetegem van J. de Loose (zoon) de veertien staties. De kwitantie vermeldt niet dat de zoon die kruisweg gemaakt heeft, wel dat hij het geld heeft ontvangen voor de levering ervan. Als we de staties van Erwetegem vergelijken met die van de vader en ook van de zoon, dan is het duidelijk dat de stijl goed aansluit met de kruiswegen van de vader en niet van de zoon. Ook al komt de kruisweg van Erwetegem niet voor op de lijst van de werken van vader de Loose, toch mogen we aannemen dat die van Erwetegem eveneens van zijn hand is. Alleen weten we niet wanneer Jan de Loose die geschilderd heeft, evenmin wie de opdrachtgever was. Wellicht heeft pastoor J.F. Nelis bij zijn aankomst in Erwetegem (juni 1848) vrij vlug contact gezocht met Jan de Loose, die hij als Zelenaar goed moet gekend hebben. Het is evenwel niet duidelijk of de oude de Loose kort voor zijn dood nog een kruisweg heeft geschilderd. Wellicht stond er één in zijn atelier, die oorspronkelijk voor een andere kerk bestemd was. Opvallend is dat de kruiswegen die hij in de periode 1822 – 1840 [19] schilderde meer aansluiten bij die van Erwetegem, terwijl die in de kerk van Meerdonk en van 1843 dateert, grondig verschilt van de andere. Daarom vermoed ik dat die van Erwetegem uit zijn vroegere periode dateert. Hoe dan ook, Erwetegem bezit sinds 1849 een tot nu toe ongekend werk van Jan Jozef de Loose.

Over die kruiswegen schrijft de kunsthistoricus ‘De kruiswegen van Jan Jozef de Loose mogen kunsthistorisch  gezien wel interessant genoemd worden maar bekeken vanuit zuiver artistiek oogpunt wordt hen doorgaans een beperkte waarde toegedicht’.[20] Wat verder schijft hij ‘bereikt Jan Jozef in een aantal staties een merkwaardige expressiviteit…’ Of nog ‘Een ander merkwaardig gegeven is de authenticiteit van elke kruisweg, zelfs geen enkele statie is identiek’. Wat ook de esthetische waarde is van de kruisweg, hiermee is een nieuw werk bekend geworden van Jan Jozef de Loose en meteen ook een 12de kruisweg.

 

 

Schilderijen afkomstig van de Sint-Laurentiuskerk te Ename

 

In 2014 zijn achteraan de kerk drie schilderijen aangebracht. Dankzij de bemiddeling van Amand Durieu, die van 1985 tot 2010 pastoor van de Sint-Laurentiuskerk van Ename was en na zijn pensioen in de pastorie van Erwetegem verblijft, en dankzij de inzet van deken Hans Vandenholen, werden drie schilderijen uit de kerk van Ename door de kerkfabriek in bruikleen gegeven. Die schilderijen, zoals overigens ook die welke de kerkfabriek van de O.-L.-Vrouwparochie van Zottegem onlangs verwierf, zijn volgens A. Durieu, op hun beurt afkomstig van de benedictijnenabdij van Ename. Sinds de grondige restauratie van de Sint-Laurentiuskerk, die van Ottoonse oorsprong is, werden alle stukken die niet pasten bij die stijl, uit de kerk verwijderd en ondergebracht in een weinig beschermde locatie. Met de ontlening zijn de schilderijen opnieuw goed beschermd en beveiligd. De drie van Erwetegem hebben als thema: de geseling van Jezus, de Heilige Cecilia en de Heilige Dorothea. Alle drie zijn ze vrij groot (230 en 250 x 130). De Gentse restaurateur Paul Aelman heeft de schilderijen voor een eerste maal in 1931 gerestaureerd.[21] In 2006 – 2007 werden de schilderijen door L. Snauwaert en Anne, Catherine Olbrechts nogmaals onderzocht en na restauratie voor ‘voorzichtig transport’, goedgekeurd.[22]

De ‘Geseling of bespotting van Jezus’ wordt door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium of kortweg KIK in de zeventiende eeuw gesitueerd evenals de ‘Heilige Dorothea’ terwijl men de ‘Heilige Cecilia aan het orgel’ in de achttiende eeuw plaatst. Verder onderzoek naar identificatie is nodig. Wel weten we dat de Oudenaardse schilder Simon de Pape (1623 – 1677) veel werken voor de abdij van Ename heeft geschilderd en dat die in het begin van de negentiende eeuw naar de parochiekerk van Ename werden overgebracht. Twee ervan, de geseling en de Heilige Cecilia, bevatten algemeen gekende thema’s in de christelijke iconografie. De derde is minder bekend.

Figuur 7.  De Heilige Dorothea

 

De Heilige Dorothea is gekleed met een rijkelijk versierde gele mantel en een wit kleed. Zij draagt in haar rechterhand de palm van de martelares. Voor haar staat een jongetje met een schaal vol met rozen en appels. Deze afbeelding verwijst naar haar marteldood ten tijde van keizer Diocletianus (303). Zij werd om haar christelijk geloof  gedood. Toen zij op weg was naar de executieplaats zei haar advocaat, Theophilus, al spottend ‘Als je in het paradijs bent, denk er aan om mij wat bloemen en vruchten te zenden’. Toen zij op het schavot neerknielde stond plotseling voor haar een knaap met een schotel met rozen en appels. Daarop zei ze ‘breng die naar Theophilus’.[23] Waarom de Heilige Dorothea op een schilderij van een abdij afgebeeld staat, is mij niet duidelijk, ook al is zij de patrones van de bloemisten, de tuiniers en de bierbrouwers.

 

 

Besluit

 

Onderzoek naar de identificatie van de schilderijen en schilderingen in de kerk van Erwetegem heeft iets opgeleverd, maar veel vragen blijven open. Ik heb de problematiek ervan verfijnd en beter afgebakend, maar echte antwoorden op de vraag vanwaar het marmeren hoofdaltaar komt en wie zijn de schilders van de drie altaarstukken bleven uit. Verder onderzoek in het archief van de Gentse Sint-Niklaaskerk, waar het kapittel van de Sint-Veerlekerk in 1614 introk, is nodig evenals gegevens omtrent de familie Cuyck, wiens wapen op het schilderij Kroning van Onze-Lieve-Vrouw van het hoofdaltaar staat. Wel mogen nu al aannemen dat, met de ontdekking van het wapen van de familie Cuyck, het doek in opdracht van Maria-Anna werd geschilderd, wellicht naar aanleiding van haar huwelijk in de Gentse Sint-Niklaaskerk in 1670 met de heer van Asper en Zingem. Het schilderij mogen we dan ook in die periode situeren.

Kunsthistorici kunnen bevestigen of het schilderij aan het linkse zijaltaar van de Aanbidding van de herders wel degelijk van W.J. Herreyns is. Ook de vragen omtrent De bevrijding van Petrus uit de gevangenis blijven onopgelost. Alleen weten we dat beide schilderijen al in 1774 in de kerk hingen en dat zij de enige stukken zijn die afkomstig zijn van de oude kerk. Wellicht komt er een tijd dat men de neogotische muurschilderingen van de gebroeders Janssens in het koor terug vrij maakt.

Gelukkig hebben we de schilder van de kruisweg kunnen identificeren evenals de omstandigheden waarin die in Erwetegem belandde. Pastoor Nelis, afkomstig van Zele, kende goed de Zeelse schilder Jan Jozef de Loose, ook al was die toen al in Sint-Niklaas gaan wonen. Overigens sluit de stijl goed aan bij de andere kruiswegen die J. J. de Loose heeft geschilderd. Moeilijker is het om te achterhalen wie de schilders zijn van de doeken die onlangs uit de kerk van Ename werden aangebracht en zeer waarschijnlijk afkomstig zijn van de benedictijnenabdij van Ename. Ook hier is verder onderzoek in de abdijarchieven noodzakelijk.

Nogmaals moet ik vaststellen dat het gebrek aan een goed bijgehouden kerkarchief mij verhinderd heeft om op de vele vragen een duidelijk antwoord te geven. Dit toont nogmaals aan hoe belangrijk het is om archief in het algemeen en het kerkarchief in het bijzonder goed bij te houden. Zonder bronnen is er geen geschiedenis.

 

 

[1] F. DE POTTER  – J. BROECKAERT, Geschiedenis van de gemeenten der Provincie Oost-Vlaanderen, Gent 1900.

[2] Bouwen door de eeuwen heen, Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Deel 5n 2, Provincie Oost-Vlaanderen, Arrondissement Aalst, Gent, 1978, p. 813.

[3] Met dank aan Dr. Annelies Somers en Daniel Liévois (+) voor de ruime informatie.

[4] WILLY BUNTINX e.a., Archiefvormers in het gerechtelijk arrondissement Gent, Deel III, Privaatrechterlijke instellingen en Verzamelingen, Brussel, 2008, p. 406 e.v. en Archeoweb.gent

[5] Stadsarchief Gent, De Sadeleire, Beschryvinge der 7 parochiale Kercken der stadt Ghendt, haere raeriteyten van schilderyen ende door wat meesters die gemaeckt syn, geschreven door den procureur De Sadeleire, circa 1734, met uitgave door Ch. Piot, Rapport à Mr. Le Ministre de l’Intérieur sur les tableaux enlevés à la Belgique en 1794 et restitués en 1815, Brussel, 1883, p. 128 – 129.

[6] Idem, p. 139 – 140.

[7] RAG (Rijksarchief Gent), Modern kerkarchief,  Parochies, Erwetegem, nr. 131. GEERT VAN BOCKSTAELE, Inventarissen van de parochiearchieven van Zottegem, Reeks II, Inventarissen nr. 2, Zottegem, Oost-Vlaams Verbond van de Kringen voor Geschiedenis, p. 34 en GEERT VAN BOCKSTAELE, ‘De Staercke: een familie van architecten, aannemers, schrijnwerkers en beeldsnijders uit Michelbeke en Nederbrakel’, Het Land van Aalst, LXVIII, 2016, p. 13 – 14.

[8] Zottegem, Dekenaal secretariaat, Archief, Erwetegem, nr. 450, 2 delen. De restauratie geschiedde door Hilde Weissenborn van de firma Richardson – Weissenborn uit Brugge.

[9] HONORE ROTTIER en MARC VAN DE CRUYS, Heraldiek, Wapens kennen en herkennen, Leuven, Davidsfonds, 2004, passim.

[10] CH. VAN SIMAEY, Prieuré de Sainte Barbe dit Joris Vrancx à Gand, in: Monasticon belge, VII, Province de Flandre Orientale, deel 4, Luik, 1984, p. 842.

[11] EM. AUGUSTE HELLIN, Histoire chronologique des évêques et du chapitre exempt de l’église, p. 299, 331-332 en 514. JOACHIM CASTELAIN, ‘Leen ter Haverie’, deel II, in: Handelingen van de Geschiedkundige en Oudheidkundige Kring van Oudenaarde…, XXIX, 1987, p. 26 – 44. Met dank aan Pieter-Jan Lachaert en Rik Castelain voor de informatie.

[12] Zottegem, Dekenaal secretariaat, Archief kerk van Erwetegem, nr. 445.

[13] JOZEF DE BROUWER, Bijdrage tot de geschiedenis van de kerkelijke instellingen en het godsdienstig leven in het Land van Aalst tussen 1621 en 1796, Deel II, De parochiekerken, Dendermonde, 1975, p. 639.

[14] GEERT VAN BOCKSTAELE, Inventarissen van de parochiearchieven van Zottegem…, p. 26 en p. 73.

[15] Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Departement Oude Kunst, Inventariscatalogus van de oude schilderkunst, Brussel, 1984, p. 143.

[16] Ook dit altaar wed gerestaureerd: Zottegem, Dekenaal secretariaat, Archief, Erwetegem, nr. 453.

[17] RAG, Modern kerkarchief, Parochies, Erwetegem, nr. 220. GEERT VAN BOCKSTAELE, ‘Inventarissen van de parochiearchieven van Zottegem’, in: Oost-Vlaams Verbond van de Kringen voor Geschiedenis, Reeks II, Inventarissen, nr. 2, p. 32, nr. 124/2. Nadat de archieven van Zottegem in 2015 naar het RAG werden overgedragen, heeft men de  nummering aan het nieuwe computersysteem aangepast en heeft de kwitantie nu als nr. 220. IGNACE DE WILDE, ‘De Loose’ een  19-eeuw schildersgeslacht, 1769 – 1885, Zele, 1985.

[18] Ignace DE WILDE, o.c., p. 162 – 179.

[19] Kruiswegen van Jan Jozef de Loose vindt men in de kerken van Doel, Heestert, Hulst, Kerselare, Meerbeke, Meerdonk, Moerzeke, Sint-Niklaas, college, en Verrebroek

[20] IGNACE DE WILDE, ‘De Loose…’, p. 159 – 161.

[21] RAG, Parochies, Ename, nr. 106 en 688.

[22] CHRISTINA VANDENBUSSCHE – VAN DEN KERKHOVE, Fotorepertorium van het meubilair van de Belgische bedehuizen, Provincie Oost-Vlaanderen, kanton Oudenaarde, Brussel, KIK, 1978, p. 40. Ename – zijn abdij – zijn kerk, Catalogus van de gelijknamige tentoonstelling, 1969, p. 13, nr. 27, 28 en 31. GEERT, MARIA, JULIEN en MARC VAN BOCKSTAELE, Inventaris van de Sint-Laurentiusparochie te Ename, Zottegem, 2018, nr. 124 en 125.

[23] JAMES HALL, Hall’s iconografisch handboek, Onderwerpen, symbolen en motieven in de beeldende kunst, Leiden 1993, p. 89. JO CLAES, ALFONS CLAES en KATHY VINCKE, Sanctus. Meer dan 500 heiligen herkennen, Leuven, Davidsfonds, 2002, p. 180 – 181. ROSA GIORGI, Heiligen 365 dagen kunst en geloof, Thot, Roularta books,  2010, p. 84.

Categories:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *