10Jozef Dauwe.

In de linker benedenhoek van de kaart is de stad Dendermonde en haar omgeving afgebeeld. Zoals op de rest van de kaart is dit gezicht op Dendermonde naar het zuiden georiënteerd. De ingekleurde pentekening vertoont een figuratieve plattegrond van de stad vanuit een vogelperspectief met een noordelijk gezichtspunt. Rond de stad zijn de waterlopen en hoofdwegen afgetekend; de dorpskerken en belangrijke kapellen zijn met opstallen in scheve parallelprojectie weergegeven. Alles staat tegen een witte ondergrond omdat dit gebied buiten het Land van Aalst lag. In de omgeving van de stad zijn de kerken van Denderbelle, Mespelaer
(Mespelare), Auweghem (Oudegem), Schoonaerde (kerk en molen), Appels (kerk en molen), Gremberghen (kerk en vier molens) en Vlassenbrouck in opstand getekend en in het Vlaams aangeduid. Evenzo Wiese (kasteel en molen) en Swyneke (sic) Cloostere (de abdij van Zwyveke).

De grachten die de stad omgorden zijn blauw ingekleurd; de versterkte en gebastionneerde stadmuren zijn daarentegen niet weergegeven. De loop van Schelde en Dender zijn eveneens opgehoogd met blauwe verf. Ook de Oude Vest-site, die destijds met haar twee smalle grachten als een uitgerokken boemerang door het zuidwesten van de stad liep, is op het grondplan getekend. Men bemerkt zelfs de ligging van een aantal bruggen over laatstgenoemde waterloop en over de Dender binnen de wallen, zoals de Bogaert- en de Denderbrug aan de Vlasmarkt en deze ter hoogte van het Sas. Rond de stad zijn de hoofdwegen tamelijk accuraat aangeduid in bruinrode verf; ze zijn echter niet benoemd.

De vraag is op basis van welke documenten landmeter De Dijn dit gezicht op Dendermonde heeft kunnen weergeven? Vóór 1626 wordt de ligging van deze stad op de samenvloeiing van Dender en Schelde reeds vermeld op talrijke gedrukte kaarten uit de vijftiende en zestiende eeuw. Ze wordt er op aangeduid met een stip ofwel met een icoontje, voorstellend een blok ondefinieerbare gebouwen met meestal één of meerdere torens. Gepubliceerde plattegronden van de stad daterend vóór deze tekening van De Dijn zijn echter niet bekend.

Immers de gedetailleerde en uitermate nauwkeurige plattegronden van Dendermonde, vervaardigd in 1565 door Jacob van Deventer en in 1584 door Pierre Le Poivre waren handschriftelijke kaarten die militair geheim waren en uiteraard niet door landmeters konden worden geconsulteerd. Ook de prachtige gouache ‘La ville de Termvnde’ van Adrien de Montigny (1609) uit de albums vervaardigd voor Karel I de Croy, die de stad in vogelvlucht toont, heeft landmeter De Dijn ongetwijfeld niet kunnen inzien. De voor de hand liggende conclusie is dat deze kaart van Philips de Dijn vervaardigd werd op basis van één van de twee kaarten van het Land van Aalst die gemaakt waren door Jacques Horenbault. De eerste, uit 1596, was nog tot circa 1678 in de Aalsterse regio aanwezig. De andere uit 1612 behoorde nog tot het einde van de achttiende eeuw tot het archief van het plaatselijke landscollege, doch is sindsdien verdwenen zodat een vergelijking hiermee niet mogelijk is.

In hoeverre landmeter De Dijn zelf elementen aan de kaart, in casu aan het grondplan van Dendermonde uit 1596, heeft toegevoegd is moeilijk te achterhalen. Bij Horenbault is de omgeving veel meer gedetailleerd weergegeven met benaming van de grote wegen buiten de stad en benoeming van enkele polders (Ste Onolfs Brouck). Binnen de muren is de locatie van de gebouwen verschillend, mogelijk te wijten aan het feit dat die kaart correct georiënteerd is vanuit het noorden. Opmerkelijk is het verschil op beide kaarten is de plaatsaanduiding van de korenwindmolen op het Akkerveld (nr. 6). Ook de namen van de dorpen zijn niet altijd hetzelfde gespeld, bijvoorbeeld Grembeerghe (1596) ten opzichte van Gremberghen (1626).

Alhoewel door slijtage zeer onduidelijk geworden, geeft het grondplannetje van De Dijn grosso modo een beeld van de configuratie van de torens en van de belangrijkste waterlopen binnen de muren. De verhoudingen zijn echter verkeerd en enkele belangrijke ‘torens’ ontbreken. Naast onduidelijkheden in de zwaar gehavende tekening zijn er ook enkele foute locaties, zoals de situering van de Molenberg met zijn windmolen en van het Begijnhof die verkeerd ingetekend zijn.

1 Belfort met hallen en stadshuis
Het silhouet van het ranke belfort met zijn kenmerkende grote borstwering, bekroond met vier
hoektorentjes en een achtkantige spits, is duidelijk herkenbaar. Het domineert de oorspronkelijke lakenhalle en latere stadhuis, gelegen langs de oostzijde van de markt nabij de Dender. De eerste vermelding van een lakenhalle, in 1293-94, staat in verband met het project om dit toen reeds als oud omschreven gebouw het daaropvolgend jaar te slopen. Op 1 februari 1337 bekwamen de plaatselijke lakenwevers een octrooi van Ingelram Ossemont (1310-1373), heer van Amboise en Nesle en heer van Dendermonde, om eigen hallen op te richten op een onbebouwd stuk grond dat dicht bij de burcht gelegen was en reeds in 1308 als marktplaats diende. Het bouwwerk moet afgewerkt geweest zijn in 1350 want toen vestigden de lakenwevers zich in de zuidelijke vleugel van deze nieuwbouw. In 1337 verkregen zij tevens de toelating om bij de lakenhalle een belfort te bouwen. Als model namen zij het pas opgericht (maar in de zestiende eeuw verdwenen) belfort van Oudenburg bij Brugge. Het Dendermondse belfort, uitgevoerd onder leiding van meester-metser Michel van Melbrouc uit Vilvoorde en van meester-timmerman Boudewijn van den Cappellen, was in 1378 voltooid. De toren werd binnen de bestaande hallen, met name op het noordeinde ervan, opgericht. De romp eindigde toen reeds op een borstwering met een houten torenspits, bekroond met vergulde appels, windwijzers en vaantjes. De constructie moest dienen als uitkijkpost en klokkenstoel maar ook als lokaal voor het uurwerkmechanisme. Bovendien hing daarin niet alleen de uurklok maar ook
de ‘clocke der draperien’, die de lakenhandelaars in de toekomst zou oproepen ‘om ter hallen te comene met haren lakenen als de cooplieden comen zouden’. Van 1395 tot 1405 werden verschillende verbouwingen uitgevoerd. Ten noorden van het belfort kwam een nieuwe vleugel, gelijk aan die van de lakenhalle, zodat het geheel een symmetrische opbouw kreeg. Op de verdieping kwam de schepenkamer; tussen 1415-16 en ca. 1544 was er eveneens een kapel aanwezig. In 1551 werd de aloude herberg De Ooievaar aan het stadhuis toegevoegd en omstreeks 1597 werden verscheidene verfraaiingswerken uitgevoerd, waaronder, zowel op de noord- als op de westgevel, een bovenbouw met in- en uitzwenkende top. Tot in het begin van de negentiende eeuw bleef het gebouw onaangetast bewaard. Toen volgden diverse  herstellingsgolven. Op 17 september 1914 brandde het stadhuis, als gevolg van de oorlogsbeschieting, volledig uit; alleen de muren bleven rechtstaan.

2 Vleeshuis
Op de hoek van de Grote Markt, tegen de Kerkstraat, stond de halle die het ambacht van de vleeshouwers in 1293 in bezit nam. Op die plaats werd in 1460-1462 een nieuw vleeshuis opgericht. Het was grotendeels gebouwd in Lediaanse zandsteen en had de vorm van een parallellogram met twee verdiepingen. De eerste werd in gebruik genomen door de Sint-Jorisgilde en de tweede door de rederijkerskamer ‘De Leeuwerkenaers’. Het gebouw ontsnapte aan de stadsbrand van 1914.

3 Onze-Lieve-Vrouwcollegiale
De Onze-Lieve-Vrouwkerk staat in het noordwestelijk gedeelte van de stad, ten noorden van de
Kerkstraat en niet ver van de vroegere Gentse stadspoort. Zij is voornamelijk opgetrokken in Lediaanse zandsteen. De eerste Romaanse kerk werd daar gesticht door Ringoot II overleden in 1106. In de veertiende eeuw werd op die plaats een Gotische kerk gebouwd die in de loop van de volgende eeuwen herhaaldelijk werd vergroot en verbouwd, dikwijls ten gevolge van de vele beschietingen die de stad doorstond waarbij ook de kerk zwaar werd gehavend. Ze is bekroond met een achtzijdige vieringtoren.

4 Sint-Blasiusgasthuis
Nabij de Gentse- of Steenpoort, op de zuidkant van de Kerkstraat, stichtten Machteld I van Dendermonde en haar echtgenoot Willem van Bethune volgens de overlevering circa 1202 een gasthuis voor hulpbehoevende reizigers, armen en zieken. Aanvankelijk bediend door leken werd de gemeenschap pas in 1603 tot klooster omgevormd. Het gasthuis werd herbouwd kort na 1603. De zeventiende eeuwse kapel had een ruime zaal met zadeldak en dakruiter. Daarnaast lag het kloosterpand omgeven met kleinere zalen. Het brandde volledig uit in 1914.

5 Zwarte-Zusterklooster
Gesticht in 1485 voor het verzorgen van pestlijders was het klooster oorspronkelijk gevestigd achter de Onze-Lieve-Vrouwkerk en begin zestiende eeuw overgebracht naar de huidige Zwartzusterstraat. De grote ziekenzaal uit 1546 werd tijdens de godsdienstoorlogen geteisterd en kort na 1589 hersteld. Dit groot gebouw met twee parallelle zadeldaken en een aantal kleinere gebouwtjes is als het Domus infectorum peste afgebeeld op de Sanderusgravure van Dendermonde, dichtbij de kloosterkapel met zadeldak en dakruiter.

6 Korenwindmolen op het akkerveld
Deze molen dichtbij de zuidwestelijke vestingen, gelegen op de Molenberg tussen het Begijnhof en het Brigittinenessenklooster, wordt voor het eerst vermeld in 1374. Hij komt reeds voor op de kaart van Deventer (1565) en werd herhaaldelijk herbouwd, onder meer in 1615. In 1705 waaide hij om. Heropgebouwd, brandde hij af in 1858 en werd nadien volledig afgebroken. De Molenberg werd in 1866 geslecht.

7 Sint-Gilliskerk
De Sint Gillisparochie dankt haar oorsprong aan de vrome stichtingen van Machteld I, vrouwe van Dendermonde. De kerk van Sint-Gillis binnen de muren dateert waarschijnlijk uit de dertiende eeuw. Ze werd grotendeels gebouwd in Doornikse kalksteen en bestond uit een middenbeuk, aan beide (?) zijden geflankeerd door vier of vijf dwarskapellen en een rechthoekig koor. Aan de robuuste vierkante middentoren met schilddak werden reeds in 1444 verbouwingen uitgevoerd. De oude benedenkerk werd in 1779-1780 afgebroken en vervangen door een driebeukige benedenkerk. Koor en sacristie bleven bewaard.

8 Begijnhof
In 1288 werd een pleinbegijnhof op een nagenoeg driehoekige plattegrond opgericht in het zuidelijke stadsgedeelte, tegen de Oude Vest; het was vroeger volledig omgeven door water. Tussen 1628 en 1638 werden, geplaatst in L-vorm, een tiental begijnenwoningen en conventen opgetrokken. Een kerk was zeker al aanwezig in 1294. Ze werd in 1579 tijdens de troebelen verwoest en deels verbrand maar in 1599 opnieuw ingezegend. Het was een smal eenbeukig gebouw van vier traveeën met een driezijdig laatgotisch koor. Het zadeldak was tussen beuk en koor bekroond door een torentje of een hoge dakruiter. In 1914 brandde de kerk uit en werd gesloopt. De woningen bleven tot op heden gespaard.

9 Brusselse poort
Bovenaan de Brusselse poort, herbouwd in 1402-1493, was een indrukwekkende middeleeuwse
constructie in zandsteen bestaande uit een vierkant gebouw met binnenkoer en vier cilindrische
hoektorens, twee verdiepingen hoog. Ze was voorzien van een ophaalbrug. De poort mat 18,20 meter aan de straatzijde; 13,60 meter aan de landzijde en was 10,30 meter hoog. Ze werd grotendeels vernield tijdens het beleg door Parma (1584) en pas tussen 1609 en 1621 grondig hersteld. Ze werd afgebroken in 1783.

10 Mechelse poort
De Mechelse poort wordt voor de eerste maal vermeld in de stadsrekening van 1380. Na de belegering van de stad door de Gentse opstandelingen werd ze in 1386 heropgebouwd en in 1402 van een nieuwe ophaalbrug voorzien. Het was een rechthoekig gebouw met verdieping, geflankeerd door twee torentjes. Ze werd afgebroken in 1783.

11 Spaans kasteel (met kapel)
Na 1584 liet de hertog van Parma een driehoekige citadel, ook genoemd Spaans kasteel, oprichten op de landtong tussen Schelde en Dender naast de gebastonneerde middeleeuwse ringmuur die hij eveneens liet voltooien. De werken duurden tot 1590 maar werden in de zeventiende en achttiende eeuw aangevuld. Aan het stelsel van natte grachten werden acht halve manen met driehoekige bastions toegevoegd. In de citadel waren woongebouwen voor de bevelhebber en het garnizoen en ook de zuidoost georiënteerde kasteelkerk met een torentje in het midden van het zadeldak. Grotendeels afgebroken in 1704, liet Jozef II circa 1782-1783 het restant van de citadel volledig slopen.

12 Veer- of Wase poort
Deze poort was opgericht ten noorden van de stad en beheerste de Veerburg over de Schelde en daarmee ook de toegang tot het Land van Waas. Ze was opgetrokken in zandsteen en bestond uit twee zeskantige torens met hoge zeskantige spitsen. Tussen de torens een rechthoekig gebouw met verdieping en zadeldak en een rondbogige doorgang. Ze werd gesloopt in 1783.

13 Scheldebrug of ‘Langhe brughe’
De houten Veerbrug of Lange Brug lag over de Schelde vóór de Wase poort, ongeveer op de plaats waar Dender en Schelde samenvloeien. Het was de eerste brug over die stroom gezien vanaf de zee en één der mooiste bruggen van de Nederlanden. Ze werd in 1379-1380 tijdens de belegeringen van Dendermonde door de Gentenaren afgebroken en kort daarna opnieuw opgetimmerd. In 1452-1453 werd zij vernieuwd op vlotten en palen en circa 1495 op de linkeroever van de Schelde door een bolwerk versterkt. Stenen kaaimuren werden in 1467 gebouwd. In 1626 lag hier nog steeds geen vaste brug over de Schelde.

14 Sint-Rochuskapel
De kapel van de rederijkerskamer ‘De Distelieren’ of ‘Rochussenaers’ werd in 1489 opgericht in de Sint-Rochusstraat. Ze werd herbouwd in 1555-1556. Het was een geoosterde, éénbeukige kapel met een dakruiter op het zadeldak. Een dwarsgebouw met puntgevel op de straatzijde, dat dienst deed als vergaderlokaal van de rederijkerskamer, was tegen de westgevel van de kapel aangebouwd.

15 Oude vest
Toen de stad in de veertiende eeuw uit haar omwalling groeide en naar het oosten werd  uitgebreid ontstond tussen de Torregracht en de vroegere verdedigingsmuur met gracht een nieuwe woonconcentratie, sindsdien Oude Vest genaamd, met onder andere de Nieuwstraat en aanpalende straatjes. De twee parallelle waterlopen onder de vorm van een uitgetrokken boemerang vormden voortaan een stereotiep beeld in de iconografie van de stad.

A Abdij van Zwijveke
Opgericht in 1223 vestigde de jonge cisterciënzerinnengemeenschap zich in 1228 buiten het
stadsgewoel op de Zwijvekekouter. Verwoest tijdens de godsdienstoorlogen in 1579 en  nogmaals in 1604, werd het klooster tijdens het Twaalfjarig Bestand vanaf 1618 met grote middelen heropgebouwd. Na een bouwcampagne van ongeveer 16 jaar kwam circa 1634 de ruwbouw en de kloosterkerk klaar. Op bevel van de militaire gouverneur van Dendermonde werd ‘deze schoon Abdije van Swijvick, noch soo onlangs gebout en vol kostelijcheyt’ op 3 augustus 1667 -tijdens het beleg van de stad door de troepen van Lodewijk XIV- om veiligheidsredenen inderhaast in brand gestoken en tot de grond toe afgebroken. Omstreeks 1671 werd een nieuw klooster gebouwd achter de Sint-Gilliskerk binnen de stad dat in 1798 werd verkocht op zijn beurt en bijna geheel afgebroken. Op de tekening is duidelijk de ver van de hoofgebouwen gelegen toegangspoort getekend.

B Sint-Apolloniakerk te Appels
Nadat de kerk op het einde van de vijftiende eeuw en opnieuw in 1533 door brand verwoest was, werd in laatstgenoemd jaar een nieuwe laatgotische kerk gebouwd. Geplunderd en deels verwoest in 1579 tijdens de godsdienstoorlogen kon ze slechts in de periode 1595-1605 volledig in gebruik worden genomen. In 1631 kreeg ze pas een schaliedak. Deze kerk werd in 1785 gesloopt waarna een nieuwe kerk in 1788 werd ingewijd. Links van de kerk staat een oliewindmolen. In 1572 waren in Appels al vijf windmolens in gebruik waaronder vier oliewindmolens. Op 5 juli 1575 ontvingen Pieter en Lieven van Langenhove een octrooi voor de oprichting van drie windmolens ten zuiden van de huidige Heirstraat en drie dagen later verkregen Pieter Neirinck en Lieven Debbaut eveneens een octrooi voor de bouw van een oliewindmolen op den ‘grooten berch’ ten zuiden van de Heirstraat. Deze laatste brandde af bij het beleg van Dendermonde in 1667. Het is waarschijnlijk één van deze molens die wordt afgebeeld.

C Sint-Rochuskappel te Appels
Op de hoek, gevormd door het Zand, de Heirstraat en de Bookmolenstraat (nu Koe-bosstraat) stond tot in het derde kwart van de twintigste eeuw een niet gewijde kapel ter ere van de pestheilige Sint-Rochus. Zij bestond dus reeds in 1622. In 1743-18744 werden er belangrijke verbouwingswerken aan uitgevoerd. Volgens kaartmateriaal uit die periode betrof het een vrijstaande kapel. Ze had een rechthoekige plattegrond, twee puntgevels en een leien zadeldak, op de voorgevel stond een groot smeedijzeren kruis. Blijkbaar was ze in het begin van de zeventiende eeuw ook bekroond met een dakruiter.

D Oude kerk van Grembergen
Afbeelding van de kerk van Grembergen ‘op het Zandt’ tussen een viertal windmolens. De oude kerk, toegewijd aan Sint-Margareta, dateerde uit de twaalfde eeuw en was vermoedelijk een éénbeukig gebouw met veelzijdig koor en een klokkentoren aan de westzijde. Ze lag op een kleine verhevenheid ten zuiden van het Grootzand, in de buurt van de huidige koortskapel. Tijdens de belegeringen van de stad in 1667 maar vooral in 1706 werd deze kerk zeer zwaar beschadigd zodat in 1709 toelating werd verleend om ze meer noordwaarts, buiten het schootsveld van het vestinggeschut, in het nieuwe centrum van het dorp, herop te bouwen. Ze werd al in 1710 ingewijd.

F Oliewondmolens op het Zand te Grembergen
In 1574 telde Grembergen reeds vier oliewindmolens en vier bookmolens. De vier oliewindmolens stonden op de zandige bergen op het Groot Zand nabij de Kakenberch. Van de zestiende tot het laatste kwart van de achttiende eeuw bekroonden ze de zandheuvels rond de plaats waar de oude kerk stond. Diverse molens waren zelfs in bedrijf tot de tweede helft van de negentiende eeuw. Ze zijn eveneens getekend op de kaart van Horenbault (1586) van het Land van Aalst en worden fraai weergegeven op de gouache van Adrien de Montigny (1608-1609). Ze zijn eveneens aangeduid op de Ferrariskaart uit 1777.

Categories:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *