5Marcel Cock en Geert Van Bockstaele.

CARTOGRAAF PHILIPS DE DIJN EN GERAARDSBERGEN

In het ‘De Dijnnummer’ is duidelijk gemaakt dat de oriëntatie (naar het zuiden) en de mogelijke opdrachtgever van de kaart van het Land van Aalst uit 1626 met de stad Geraardsbergen kunnen vandoen hebben.1 Aan te nemen is zeker dat Philips de Dijn uit Aspelare meer met Geraardsbergen dan met andere stedelijke centra uit het Land van Aalst bekend is geweest. Er zijn vooreerst familiale connecties tussen De Dijn en de Denderstad. Op 10 februari 1613 huwt hij (Philippus de dijsme) in de Sint-Bartholomeuskerk op de Markt in Geraardsbergen met Anna van Ghansbeke (Ghansbeck).2 Philips de Dijn en Anna Van Ghansbeke hebben evenwel vlug na hun huwelijk de stad Geraardsbergen als woonplaats geruild voor Aspelare – Geertrui, hun eerste kind wordt er al op 27 augustus 1615 geboren -, maar de familie De Dijn blijft familiale contacten met de familie van Ghansbeke in Geraardsbergen onderhouden. In 1620 is Elizabeth van Ghansbeke in Aspelare doopmeter van haar nichtje Elizabeth en een jaar later is Philips in Geraardsbergen zelf dooppeter van Anna, het dochtertje van Jan van Ghansbeke, mogelijk Philips’ schoonbroer, en Adriana Claus.3 In 1613, wanneer hij een maand getrouwd is in Geraardbergen, laat Philips zich al op 30 maart ook als gildebroeder in de elitaire kruisboogschuttersgilde van Sint-Joris in de stad inschrijven. Op 20 mei wordt ook Adriaan van Ghansbeke, een schoonbroer (?), er lid.4 Naast dit familiale netwerk ontwikkelt Philips in de Geraardsbergse gilde ongetwijfeld een zuiver sterk maatschappelijk netwerk, Het heeft ongetwijfeld de uitbouw van zijn landmeterscarrière succesvol gemaakt.

Men moet onder meer bedenken dat Francesco Bernardino de Cassina, een rijke Antwerpse zakenman, in 1601 door koop de nieuwe baron van Boelare in de gelijknamige baronie van het Land van Aalst wordt. Hij treedt circa 1600 toe tot de kruisboogschuttersgilde.5 Familieleden van de hoger genoemde Adriana Claus, mogelijk de schoonzus van Philips, zijn ook gildebroeders.6 Philips leert er verder ook de landsadelijke gildebroeder Guilaume Damman kennen, die onder meer in 1613 en ook nog later burgemeester is van de stad. De burgemeester is door huwelijk verbonden met de andere landsadelijke familie Vanden Eechoute. Charles Vanden Eechoute uit die familie is al sinds 1615 herhaaldelijk burgemeester van de stad en wordt in 1619 ook gildebroeder. Daarbij is te noteren dat zeker de burgemeesters en eerste schepenen van Aalst en Geraardsbergen aan de algemene voorwaarde voldoen om lid te zijn van het College van het Land van Aalst, waar de opdracht om een (nieuwe) kaart van het gebied minstens ter sprake moet zijn gekomen.7 Het is bovendien bekend dat een der oudst bewaarde kaarten van Philips de Dijn de eigendom voorstelt van burgemeester Vanden Eechoute in de Zak te Geraardsbergen (1618).8 En verder hebben ook Guilaume Damman, en Jehanne Vanden Eechoute aan Philips de Dijn opdracht gegeven om zijn kaartboek voor de abdij van Anchin op te maken (1621-1622).9

Er is ook deze vaststelling. Philips de Dijn heeft zijn kaart en dus ook de plattegrond van Geraardsbergen, zoals de windroos onderaan in het midden van het document aangeeft, naar het zuiden georiënteerd. Aldus wekt het kaartbeeld van het Land van Aalst en van de stad Geraardsbergen een ongewone indruk. Waar men, zoals op naar het noorden georiënteerde kaarten van het Land van Aalst, de ligging van de stad Geraardsbergen en omgeving normalerwijze, enigszins minder opvallend, in de rechterbenedenhoek verwacht, staan de stadsplattegrond en de omgeving ervan nu volop in de linkerbovenhoek getekend. Een vergelijking met een naar het noorden gerichte kaart leert dat het kaartbeeld van De Dijn ons derhalve in een onderste boven gedraaid spiegelbeeld wordt getoond.10 Literatuur over oudere kaarten verklaart kortweg dat een oriëntatie naar ‘Noord boven wel wijdverbreid is … behalve als je een goede reden hebt een andere windrichting boven te zetten’.11

Bij dit alles stellen zich twee vragen: wie heeft aan de Aspelaarse Philips de Dijn de opdracht gegeven om een kaart van het Land van Aalst in 1626 te tekenen en waarom heeft de cartograaf zijn kaart naar het zuiden georiënteerd, zodat de stad Geraardsbergen en ook de baronie van Boelare uitdrukkelijk bovenin het kaartbeeld kwamen te liggen ? Rekening houdend met al de bovenstaande aangehaalde netwerkgegevens, moeten we met Georges Vande Winkel de oorsprong van kaart 1626 wellicht toch in het Geraardsbergse gebied leggen.12

CARTOGRAAF PHILIPS DE DIJN EN ZIJN PLATTEGROND VAN GERAARDSBERGEN IN 1626

• Algemeen kaartbeeld

De cartografische waarde van de stadsplattegrond van Geraardsbergen op de kaart van Philips de Dijn is toetsbaar aan een cartografisch exacte plattegrond, die Jacques Horenbault in 1596 op zijn kaart van het Land van Aalst heeft getekend.13 De Dijn gebruikt, zoals ook al Jacques Horenbault, in hoofdzaak twee kleuren: de toegangswegen naar de stad en de muren van stadsgebouwen zijn in het rood gekleurd; de daken van gebouwen en waterlopen hebben een blauwe kleur. De stadsnaam GHEERAERTS – BERGHE is in zwarte gotische letters geschreven. De Dijn benoemt, in tegenstelling tot cartograaf Horenbault, de grote toegangswegen naar of vanuit de stad niet met hun eigennaam. Evenmin heeft hij de groene kleur gebruikt voor boomaanplantingen of rivier- en beekoevers rond de stadsplattegrond.

Philips de Dijn vernoemt de stad onder de naam in een Vlaamse versie Gheeraerts-berghe. Hierbij is op te merken dat hij dus een aloude Nederlandse spelling gebruikt, die al in de middeleeuwen in Gent opduikt (o.m. 1343) en die men bovendien verder aantreft in het eigentijdse ledenboek (1551) van de Sint- Jorisgilde der Geraardsbergse kruisboogschutters binnen de keijserlijcke Stadt Gheeraertsberghe, waarvan hij in 1613 lid is geworden.14 Bekende toponiemen op het grondgebied van de stad, buiten de omwalling, zoals Oudenberch en Busemont zijn in gewone cursieve kleine letter geschreven.

De bijzondere oriëntatie naar het zuiden van de kaart leert dat het kaartbeeld van De Dijn ons in een onderste boven gedraaid spiegelbeeld wordt getoond. Zo ligt de bovenstad of doude poort – het oude stadsgedeelte links van de Dender, die door de stad stroomt naar het onderste deel toe van de kaart, en ligt de benedenstad of de nuwe poort – het nieuwe stadsdeel rechts van de rivier.15 De schaal van de kaart bedraagt 1/34.328 (1 cm = circa 343 m) en is dus enigszins kleiner dan de schaal van stadplattegrond op de kaart van Jacques Horenbault uit 1596 (1/23.175; 1 cm = circa 230 m). De kaart is ook beschadigd tot ons gekomen. Onder meer is de plattegrond van de stad in de rechterzijde op de tekening gescheurd en zijn de kleuren er weggesleten (afgebladderd).16

De stadssite met de omwalling heeft een identieke tekening als de site op de Horenbaultkaart. Wel beperkt de cartograaf zich tot de weergave van de stadsomwalling met de stadspoorten en hun toegangswegen. De stadsmuren zelf met hun verdedigingstorens, die al op de kaart van Horenbault in 1596 in het rood zijn gekleurd, heeft de Dijn niet overgenomen. Binnen de omwalling tekent de cartograaf een schetsmatig stratentracé, dat vooral in de benedenstad door de beschadiging van de kaart minder duidelijk bleef. Slechts enkele dubbele zwarte lijnen naar de stadspoorten, zowel in de benedenstad als de bovenstad, zijn nog zichtbaar gebleven. Verder zijn er acht religieuze gebouwen en twee overheidsgebouwen in de stad te onderscheiden.

De Grote Dender, die van boven naar onder op de kaart loopt en die de stad in een benedenstad en een bovenstad verdeelt, heeft een blauwe kleur. De waterloop is in het stadscentrum onderbroken door twee bruggen: de nuwe brugghe – de nieuwe brug bovenaan en doude brugghe – de oude brug onderaan.17 De watermolens op de Grote Dender vóór de oude brug zijn niet opgenomen. Ook een vertakking van de Dender, die bovenaan op de kaart nabij de Hunnegemkerk afsplitst en in het stadscentrum bij nog andere evenmin getekende watermolens in de Grote Dender vloeit, is niet opgetekend in het plan.

In verband met de kleur van de stadsomwalling is het volgende op te merken. De omwalling zowel van de benedenstad (rechts) als van de bovenstad (links) heeft de cartograaf, zoals de loop van de Dender, blauw gekleurd. De hele stad zou dus door een watergracht omringd zijn. Voor de benedenstad, waar er vóór de stadsmuren een waterpartij lag, gevoed door een aftakking van de Dender bij het binnenlopen van de stad, is de kleur exact. Vóór de stadsmuren in de bovenstad op de zuidwestelijke helling van de Oudenberg kan er, omwille van het sterk hellend terrein dat afloopt naar de Dender, geen watergracht liggen. De blauwe kleur is er dus niet exact gebruikt.18

Nog een opvallende vaststelling is toch, ook voor de andere steden in het Land van Aalst, dat De Dijn, ondanks een kleiner schaalmodel, een gedetailleerd beeld van de stadsmonumenten in Geraardsbergen tekent. Verder is vooral aan de tekening van de gevels der monumenten duidelijk dat Philips de Dijn zijn stadsplattegrond met de monumentenomgeving (dorpskerken, kastelen, abdijen) in vogelperspectief vanuit het noordwesten tekent.

• Gedetailleerd kaartbeeld

Stadspoorten

In de omwalling staan de zes stadspoorten getekend, waar de toegangswegen naar de stad aankomen. De benedenstad telt drie poorten: bovenaan de kaart, rechts van de Hunnegemkerk, staat Hunnegempoort/Lessensepoort (1); in het beschadigde deel van de kaart onderaan rechts vertrekt de grote (rode) weg rechts naar Oudenaarde bij de Oudenaardse-/Dutsepoort (2); nog onderaan, nabij de Dender die de stad uitvloeit, is de Vlieguit/Reep-/Gentsepoort (3) getekend. In de bovenstad liggen eveneens drie stadspoorten: bovenaan de kaart vertrekt de weg naar Lessen vanaf de Putsemeinpoort (4); de Overpoort/Brusselsepoort (5) staat daar in het midden van de omwalling, nabij de kerk van de Sint-Adriaansabdij; onderaan de kaart leidt de Boelarepoort (6) naar het kasteel van de heer van Boelare en naar de dorpen op de rechteroever van de Dender.19

Zoals al vermeld, is het stratenpatroon op de kaart vervaagd of zelfs niet getekend. In de bovenstad is de Peinstraat (Vredestraat) vanaf de Markt naar de Boelarepoort onderaan de kaart nog zichtbaar; ook de straat, deels nog rood gekleurd, vanaf de Overpoort links naar het marktplein toe, is nog traceerbaar.

Gebouwen in de bovenstad

1. Religieuze gebouwen

In de bovenstad zijn er drie kerken afgebeeld. De Sint-Bartholomeuskerk ( 7), met een transept en een hoge vieringtoren en sinds de middeleeuwen de parochiekerk van de stad, staat bovenaan links bij de omwalling op de Markt. De krappe ruimte van het marktplein heeft meegebracht dat het koor van de kerk moest worden uitgegraven in de helling van de Oudenberg en het kerkschip op het marktplein slechts even groot als het koor is uitgebouwd.20 De kerk van de Sint-Adriaansabdij (8) staat eveneens tegen de omwalling en de Overpoort onder de Sint-Bartholomeuskerk getekend. De kerk van de benedictijnenabdij deelde de gebedsruimte met een Sint-Lucasparochie aan een Sint-Lucasaltaar aldaar, waar de pastoor van de Sint Bartholmeuskerk parochiediensten mocht verzorgen.21 Ook deze kerk heeft, zoals de Sint-Bartholomeuskerk een transept met een vieringtoren.22 De kapel van de grauwzusters (9) ligt rechts tussen de twee grote kerken van Sint-Bartholomeus en Sint-Adriaan en staat tegen de Dender. De grauwzusters verbleven er van circa. 1550 tot circa 1630 en werden daarna opgevolgd door de clarissen-urbanisten. Het gebouw is een zaalkerk en heeft een dakruiter. De kapel staat ook al op dezelfde locatie op de stadsplattegronden van Jacques Horenbault.

2. Overheidsgebouwen

Minder opvallend staan er twee overheidsgebouwen op de Markt. Het Schepenhuis (10), dat wel al op de kaart uit 1596 is getekend, is door De Dijn vaag geschetst tussen de Sint-Bartholomeuskerk en de Sint-Adriaanskerk. Het kleine gebouw staat er, zoals ook op de kaart van Horenbault, in een juiste volumeverhouding tegenover de twee grote kerken in de bovenstad geschetst. Het Landhuis (11), waar het landscollege van het Land van Aalst tot de tweede helft van de zeventiende eeuw nog vergaderde en de gedeputeerden konden overnachten, staat rechtsboven de Sint-Bartholomeuskerk en onder de Putsemeinpoort. Het landscollege vergaderde tot in de eerste helft van de zeventiende eeuw afwisselend in Aalst en in Geraardsbergen en vervolgens alleen nog in Aalst.23 Op het einde van de zestiende eeuw in 1598 draagt de stad bij tot de bouw (verbouwing) van het huis. Eerst in De Dijns tijd wordt er een huisbewaarder voor het huis aangesteld. Het huis wordt in 1629 verhuurd aan de meest biedende.24 Ook Horenbault heeft het huis al in 1596 opgetekend.

Gebouwen in de benedenstad

In de benedenstad zijn eveneens drie kerken duidelijk zichtbaar. De Hunnegemkerk (12), momenteel het oudst bewaarde religieuze gebouw in de stad, staat bovenaan op de kaart in de zuidelijke hoek van de stad. Ze heeft een half transept, uitgebouwd naar het zuidwesten en een hoge en slanke dakruiter. Ondanks de beschadiging van de kaart is de tekening goed vergelijkbaar met een kaart uit 1617, waarop de watermolens in de stad staan getekend.25 Ook hier is een slanke dakruiter aanwezig en is het onderste deel van de toren open gewerkt, waaruit af te leiden valt dat er een klokkenkamer/ruimte was. De Hunnegemkerk wordt in 1624 toegewezen aan benedictinessen. De bouw van het klooster bij de kerk is in datzelfde jaar gestart en de zusters nemen er drie jaar later, op 4 augustus 1627, hun intrek.26 De kaart heeft die nieuwbouw naast de kerk nog niet opgenomen. Hier is mogelijk een aanwijzing voor de periode, waarin de cartograaf met de voorbereiding van de kaart, vóór 1626 en zelfs vóór 1624, is begonnen. De hospitaalkapel ( 13) staat op het einde van de nauwelijks zichtbare straat, die dit gebedshuis, ook nu nog de Gasthuisstraat, met de Hunnegemkerk verbindt. De kapel hoort bij het hospitaal, waarvan men algemeen aanneemt dat het in circa 1200 gesticht is. Het gebouw is vrij klein en is een zaalkapel met een dakruiter. De middeleeuwse bronnen situeren de kapel en het hospitaal steevast op deze plaats.27 De Sint-Katelijnekerk (14) staat onder de hospitaalkerk. De kerk wordt al vermeld in 1247 en is in hoofdzaak gefrequenteerd door de wevers van de stad. In 1622 wordt de kerk aan de paters miniemen toegewezen, die zich eerst in 1636 definitief in het nieuw gebouwde klooster bij de tevens verbouwde kerk vestigen. Het klooster en de kerk van de miniemen huisvesten momenteel het bisschoppelijke Sint-Catharinacollege. Opvallend is de hoge westtoren, ook al op de kaart van 1596 aanwezig, die bewust als verdedigingstoren is gebouwd. De toren staat vóór de eigenlijke kerk en is in vier verdiepingen verdeeld. Bij de overname van de kerk door de miniemen vrezen de bewoners van de wijk dan ook dat ze hun bescherming in geval van oorlog zullen verliezen.28 De kerk is trouwens de enige kerk in Geraardsbergen met een dergelijke vrijstaande toren, die tot op vandaag nog zijn typisch gelede structuur behouden heeft. De constructie mag als oudste kerktoren (dertiende eeuw?) van de stad beschouwd worden. Momenteel is de toren ten oosten van de kerk ingeplant. Men moet dus aannemen, tot bewijs van het tegendeel, dat de paters miniemen bij de bouw van hun klooster een nieuw kerkschip ten westen van de toren hebben gebouwd, waartegen ze trouwens een zijde van het kloosterpand lieten aansluiten, dat tot op heden zo geschikt en bewaard is gebleven. De kleine begijnhofkerk (15) is mogelijk, maar nauwelijks te onderscheiden, links van de toren en boven het dak van de Sint-Katelijnekerk getekend. Ook Horenbault heeft de twee kerken al opgenomen in zijn plattegrond van de stad op ongeveer dezelfde percelen. De karmelietenkerk (16) wordt kort na de aankomst van de paters geschoeide karmelieten, afkomstig uit het klooster van Edingen, in 1466 gebouwd. Maria van der Gracht had hun een aantal eigendommen met het oude burchtgebouw van de stad toegewezen. De kerk is onderaan de benedenstad, waar de Dender de stad verlaat, naast de Vlieguitpoort door de beschadiging van de kaart nog maar nauwelijks te zien. De best bewaarde tekening van de kerk is bewaard op de tekening, die De Dijn van het huis van burgemeester Vanden Eechoute in 1618 maakte. Het is een eenbeukige zaalkerk met een dakruiter op de plaats en ze staat op de plaats, waar ook nu nog de karmelietenkerk uit 1708-1717 staat. Het voormalige klooster met de kapel kwam in 1818 in het bezit van de paters Jozefieten, die er lager en secundair onderwijs inrichten.


  1. Het ‘De Dijnummer’ verscheen in december 2018 als laatste nummer 70 van de gedrukte versie in de zeventigste jaargang van het tijdschrift Het Land van Aalst. Het uitgebreide nummer met meerdere kleurillustraties was in een redactie van G. VANDE WINKEL (red.) en bijdragen van vijf auteurs volledig gewijd aan cartograaf Philips de Dijn. Over de kaart van 1626 G. VANDE WINKEL, Een kaart van het Land van Aalst uit 1626 en landmeter Philips De Dijn, in: Het Land van Aalst, 70, (2018), p. 311-328.
  2. Zie B. MERCKAERT, Philips De Dijn, een leven in kaarten, in: Het Land van Aalst, 70, (2018), p. 243-254.
  3. Op 25 februari 1620 is Elizabeth van Gansbeke doopmeter van Elizabeth de Dijn, een dochter van Philips en Anna, in Aspelare; op 20 januari 1621 is Philips dooppeter van Anna van Gansbeke, het dochtertje van Jan van Gansbeke en Adriana Claus; begijn Anna Claus is in naam van oom Petrus de Dijn, pastoor van Vlierzele, doopmeter. De gegevens volgens de parochieregisters in Aspelare en Geraardsbergen. Een parenteel van Philips de Dijn ook al bij B. MERCKAERT, Philips De Dijn, p. 250. Uit verder onderzoek naar de geboorten blijkt dat zeker drie van de vijf bevallingen van Anna Van Ghansbeke problematisch verlopen, met doopsel door de vroedvrouw en met uiteindelijk de dood van Anna († 27 sept. 1628) na de geboorte van Petrus (° 23 sept. 1628).
  4. C. VAN CAUWENBERGE, Boeck der incomelinghen van de Kruisboogschuttersgilde van Sint-Joris te Geraardsbergen (1515-1793), Geraardsbergen, 2018, p. 241. Ook andere ‘(van) Ghansbeke’s’ zijn er sinds circa 1551 lid van de gilde (C. VAN CAUWENBERGE, Boeck der Incomelinghen, p. 318). Met dank aan J. De Ro en C. Van Cauwenberge, die ons de foto van de inschrijving van De Dijn op pagina P05 – 135 onder nr. 9 in het Boeck der Incomelinghen doorstuurden. Verder ook C. VAN CAUWENBERGE, De kruisboogschuttersgilde van Sint-Joris te Geraardsbergen. Deel 1: Kroniek aan de hand van de bestaande bronnen en literatuurverwijzingen, in: Gerardimontium, 254, (2014), p. 11-18; J. DE RO, De kruisboogschuttersgilde. Deel 2: Welgesteld, voornaam en verenigd, in: Gerardimontium, 255, (2014), p. 12-24; J. DE RO, De kruisboogschuttersgilde . Deel 3 & slot: Welgesteld, voornaam en verenigd, in: Gerardimontium, 256, (2014), p. 15-23. B. Merckaert (Philips De Dijn, p. 243) vermeldt het lidmaatschap van leden uit de familie Van Ghansbeke; maar niet het lidmaatschap van Philips de Dijn.
  5. Zie o.m. V. CAMPEN, La baronnie de Boulaere, Geraardsbergen, 1930, p. 85 e.v.; M. VAN TRIMPONT, De baronnen van Boelare in beeld, Geraardsbergen, 2011, p. 23 e.v.
  6. C. VAN CAUWENBERGE, Boeck der Incomelinghen van de Kruisboogschuttersgilde, p. 291.
  7. Over de samenstelling van het college H. VAN ISTERDAEL, Archief het Land van Aalst 1342-1796 (1814). Deel I. Inventaris, Brussel, 1994, p. 68.
  8. De kaart ‘Den Saeck’ van 21 maart 1628, in bespreking en uitgave bij D. VAN DE PERRE – G. VANDE WINKEL, Overzicht van het cartografisch en landmeetkundig oeuvre van Philips De Dijn (1618-1662), in: Het Land van Aalst, 70, (2018), p. 19-36.
  9. Zie G. LIESSENS, Het “Cartulaire des biens de l’ abbaye d’ Anchin” van Philips De Dijn (1621-1626), in: Het Land van Aalst, 70, (2018), p. 279-290.
  10. Wij houden de verwijzingen links en rechts aan zoals ze op het kaartbeeld worden weergegeven. Op de plattegrond van Jacques Horenbault liggen links en rechts omgekeerd georiënteerd.
  11. Daarover P. VAN DER KROGT, Het Noorden boven, in: Geografie, (2012 /2), p. 16-21. Tussen 1500 en 1550 geeft de auteur 31% kaarten aan, die naar het zuiden georiënteerd zijn.
  12. G. VANDE WINKEL, Een kaart van het Land van Aalst uit 1626 en landmeter Philips De Dijn, in: Het Land van Aalst, 70, (2018), p. 326.
  13. Zie ook al G. VANDE WINKEL, Een kaart van het Land van Aalst uit 1626 en landmeter Philips De Dijn, in: Het Land van Aalst, 70, (2018), p. 321 e.v. De kaart van Horenbault werd uitgegeven bij de veertigste verjaardag van onze Vereniging in 1988. Zie ook M. COCK, De oudste meesterkaart van het “Land van Aalst”, in: Het Land van Aalst, 40, (1988), p. 235-246.
  14. Aldus de stadsnaam ook in het Boeck der Incomelinghen van het Gilde van den Edelen heere Sinte Jooris binnen de keijserlijkcke Stadt Gheeraertsberghe gemaeckt ten Jaere 1511 en de uitgave ervan door C. Van Cauwenberghe (zie noot 4). Over de stadsnaam en de toponiemen te Geraardsbergen M. GYSSELING, Middeleeuwse toponiemen te Geraardsbergen, in: Het Land van Aalst, 11, (1959), p. 3-4. Ter vergelijking Jacques Horenbault schrijft op zijn kaart (1596) een Vlaamse versie van de stadsnaam als GHEERSBERGHE. Aan te stippen valt dat de Latijnse middeleeuwse versie GEROLDI MONS in plaats van de versie GERALDI MONS een grafie is met een Vlaamse spelling o in de tweede letttergreep (E. VAN MINGROOT, Het stichtingsdossier van de Sint- Adriaansabdij te Geraardsbergen, (1081-1096), in: Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis 153/1, (1987), Brussel, p. 9.
  15. De benamingen van de stadsontwikkeling nog in de grafelijke cijnslijst van 1374 (Algemeen Rijksarchief Brussel, Rekenkamer 45.282).
  16. De kaart (ARA., Brussel) is in opdracht van onze Vereniging naar aanleiding onze 70ste verjaardag intussen gerestaureerd.
  17. Benaming van de bruggen volgens de cijnslijst van 1374.
  18. Hier dient aangestipt dat De Dijn zich mogelijk voor de kleur toch op de kaart van Horenbault (1596) richt, waar ook een dergelijke inkleuring in een deel van de bovenstad, zij het minder expliciet, al voorkomt.
  19. Recent archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat ter hoogte van de Overpoort de momenteel oudste wegverharding er teruggaat tot het einde van de 10de / 1ste helft van de 11de eeuw. Daarover C. CLEMENT – W. DE MAEYER – V. GUILAUME – B. CHERRETTÉ, Geraardsbergen Abdijstraat. Archeologisch onderzoek. SOLVA. Archeologie rapport 148, Erembodegem, 2018, p. 65.
  20. De kerk op de Markt is een pre-stedelijke parochiekerk, die er zeker bij de overbrenging van de Sint-Pietersabdij, naderhand Sint-Adriaansabdij genoemd, vanuit Dikkelvenne naar de stad (1096) bestond. In 1181 wordt de apostel Bartholomeus als patroon vernoemd. In 1515-1518 wordt de reguliere abt van de Sint-Adriaansabdij pastoor met volle rechten van de seculiere Sint- Bartholomeuskerk. Omwille van een Onze-Lieve-Vrouwbroederschap in de kerk van twaalf seculiere priesters wordt de kerk in de middeleeuwen gemeenlijk ook de parochiekerk van Onser Vrouwen Capelle op de maerct genoemd (1355). Hierover het tweeluik van recente studies door M. COCK, Ave, O beate beatorum, ter beate Bartholomæ. Sint-Bartholomeusrelieken van Lipari (Italië) tot in Geraardsbergen, in: Het Land van Aalst, 67, (2015), p. 93-132; D. VAN DE PERRE, Een nieuwe visie op de relatie tussen de parochiekerken van Sint-Bartholomeus en Sint-Lucas te Geraardsbergen, in: Het Land van Aalst, 67, (2015), p. 245-282.
  21. Nogmaals D. VAN DE PERRE, Een nieuwe visie, p. 260-266.
  22. Het schip van de kerk zou pas in het midden van de 18de eeuw door de Gentse architect Jan-Baptist Simoens vervangen worden. Hiervoor G. VAN BOCKSTAELE, De ontwerp- en bouwactiviteiten van Jan Baptist Simoens voor de Sint-Adriaansabdij te Geraardsbergen en de abdij van Beaupré te Grimminge, in: Het Land van Aalst, 63, (2011), p. 233-243.
  23. M. CHERRETTÉ, Historische ontwikkeling van de instellingen in het Land van Aalst […]. Verhandelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent. XVII, Gent, 1992, p. 38.
  24. H. VAN ISTERDAEL, Archief van het Land van Aalst 1342-1796 (1814). Deel I. Inventaris, Brussel, 1994, p. 93-97.
  25. G. VAN BOCKSTAELE, De Hunnegemkerk te Geraardsbergen in kaarten en plannen, in: Het Land van Aalst, 40, (1988), p. 227- 228.
  26. K. DE WOLF-D. LARMUSEAU, Hunnegem. Het kloppende hart van Geraardsbergen, Geraardsbergen, 2018, p. 48-53.
  27. Bespreking en bronverwijzing naar GASTHUIS en HOSPITAAL bij M. FRANCQ, Toponymie van Geraardsbergen, Proefschrift RUG., Gent, 1979, p. 24-25 en 42-43.
  28. G. VAN BOCKSTAELE – A.-M. VANDEN HERREWEGEN – L. DE COCK, Van scholaster tot principaal. Het Sint-Catharinacollege te Geraardsbergen en zijn voorgeschiedenis (1437 – 1989), Geraardsbergen, 1990, p. 79-87. Ook nog G. VAN BOCKSTAELE, Het Miniemenklooster te Geraardsbergen, in: Het Land van Aalst, 50, (1998), p. 133-140.
Categories:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *