In de achttiende eeuw werd de gemiddelde oppervlakte van landbouwbedrijven steeds kleiner als rechtstreeks gevolg van het geldende erfrecht in de Zuidelijke Nederlanden.[1] Bij een overlijden werd de erfenis evenredig verdeeld onder de langstlevende partner en/of de kinderen met wijdverspreide areaalversnippering tot gevolg.[2] Zeker in Binnen-Vlaanderen, waartoe het Land van Aalst hoorde, manifesteerde zich een duidelijk patroon waarbij bedrijven verkleinden of opgesplitst werden. Het is echter de vraag of gelijktijdig met deze trend zich ook een fenomeen van polarisatie ontwikkelde? Was dit proces van versnippering gelijk voor alle bedrijven? Of hielden sommige landbouwexploitaties stand? Konden de eigenaars van grote ondernemingen hun vermogen intact houden? En hoe werd de bedrijfscontinuïteit over verschillende generaties heen verzekerd? In dit artikel worden deze vragen kort behandeld aan de hand van de casus Erembodegem in de tweede helft van de achttiende eeuw.

De meeste families in Binnen-Vlaanderen, de zandlemige regio waarmee rurale historici het oosten van West-Vlaanderen en het grootste deel van Oost-Vlaanderen aanduiden, waren in het bezit van eigen grond. Niettemin had 90 procent van deze kleine boeren, ook wel peasants genoemd, minder dan vijf hectare grond ter beschikking en 47 procent zelfs minder dan één hectare.[3] Deze peasants teelden verscheidene gewassen voor hun privaat levensonderhoud en zij vulden hun basisbehoeften aan door huisnijverheid te bedrijven voor de markt, zoals het weven van wol. Zo konden ze harde valuta bekomen voor het betalen van belastingen of voor de aankoop van levensnoodzakelijke middelen. Naast deze kleine boeren waren er ook enkele huishoudens die Reinoud Vermoesen omschreef als paardenboeren en die grote landbouwbedrijven uitbaatten.[4] Zij leverden bovenop de productie voor zichzelf én voor de markt ook nog diensten aan voornoemde peasants. Deze diensten, bijvoorbeeld het omploegen van grond of transport van afgewerkte producten naar de steden werd aangeboden in ruil voor geleverde arbeid of een deel van de afgewerkte producten uit de huisnijverheid zoals linnen. Hun afhankelijkheid van deze paardenboeren, zorgde voor een onevenwicht in de onderlinge machtsverhoudingen. Het al dan niet in het bezit zijn van paarden kon met andere woorden direct gelinkt worden aan hoe vermogend een familie was. In 1650 beschikte een derde van de huishoudens over paarden. In 1750 was dit nog slechts achttien procent en eind achttiende eeuw liep dit verder terug naar één op tien huishoudens.[5] Hoewel het aantal boeren met paarden in de gemeenschap afnam, vergrootte deze groep toch hun gemiddelde oppervlakte per huishouden naar zes hectare, in tegenstelling tot een gemiddelde van tweeënhalf hectare bij de algemene populatie.[6] Hoe kan dit verklaard worden? In deze bijlage wordt de these getoetst dat de families van grote ondernemingen hun vermogen intact probeerden te houden via een bewuste strategie van overerving aan één van de kinderen in plaats van aan alle kinderen. Maar hoe deze these staven?

Beschikbare oppervlakte per huishouden, Land Van Aalst, 1626-1795 (Bron: Van Isterdael, ‘Landbouwstrukturen’, 271.)

Om de huishoudens van Erembodegem midden en eind achttiende eeuw in kaart te brengen en te vergelijken, is gebruik gemaakt van belastinglijsten of settingen.[7] Dit is een belasting op basis van grondgebruik, uitgedrukt in fiscale bunders. In rurale maatschappijen kan deze als indicatie worden gebruikt voor welstand, sociale ongelijkheid of levensstandaard. Deze settingen werden vervolgens gekoppeld aan staten van goed uit het stadsarchief van Aalst.[8] Onder een staat van goed verstaat men een boedelbeschrijving: ‘een inventaris van het fortuin dat een overledene naliet en een schepenbank registreerde, met de intentie de overerving van dit fortuin te regelen’.[9] Waarom gebruik maken van staten van goed? Kleinere bedrijven lieten meestal weinig of geen bronnen na, maar door gebruik te maken van ambtelijke bronnen zoals staten van goed kan men toch een poging wagen het verleden van deze groepen te reconstrueren. In het samenvoegen van deze lijsten volgt een stroom van informatie over de huishoudens in Erembodegem tussen 1750-54 en 1790-94, de twee periodes die onderzocht en vergeleken werden. Belangrijk om te onthouden is dat de allerarmsten in de samenleving (de bezitloze, de bedelaar of de thuisloze) niet of weinig vertegenwoordigd zijn in deze databanken. Toch worden al snel enkele trends duidelijk. In 1754 telde het belastingkohier van Erembodegem 378 gezinnen en dit aantal steeg gestaag tot 468 huishoudens in 1794 wat overeenkomt met een normale bevolkingsaangroei in deze periode.[10] Tussen 1745 en 1754 werden er 96 overlijdens geregistreerd en in 22 gevallen werden er boedelbeschrijvingen opgemaakt. Deze boedelbeschrijvingen werden opgemaakt om twee redenen. Enerzijds bij een familiaal conflict over de nalatenschap en anderzijds bij de aanwezigheid van volle of halve wezen (niet noodzakelijk de kinderen van de overledene), de erflater vijgezel was of het betrof een kinderloos echtpaar.[11] Het is onpraktisch om sterfhuis per sterfhuis af te lopen, dus daarom zal gewerkt worden met representatieve voorbeelden uit de datamatrix. Natuurlijk is er voor elk voorbeeld een tegenvoorbeeld te geven. Belangrijk te onthouden zijn de gemiddelden! Eén van deze gemiddelde voorbeelden was het sterfhuis Adriaen Brijs. Deze persoon was zeer vermogend. Hij betaalde een grondbelasting van 227 gulden per jaar niettegenstaande de gemiddelde taks in de wijk Goede Zijde slechts 40,21 gulden bedroeg, de gemiddelde taks in Erembodegem was nog lager, namelijk 23,5 gulden. Maar dit geeft een vertekend beeld van de situatie. De hoogst betaalde belasting bedroeg 447,33 gulden wat deze gemiddelden zwaar uit balans trekt. De meeste mensen in het dorp betaalden een grondbelasting tussen nul en vijftien gulden. Het sterfhuis Brijs kan dus worden omschreven als vermogend, maar was hij ook een paardenboer?

Ferrariskaart. Bron: Geopunt Vlaanderen, de centrale databank voor geografische informatie. https://www.geopunt.be/kaart, geraadpleegd op 22 november 2019.

Uit de openbare verkoop van (een deel van) de boedel, een gangbare praktijk waaraan een groot deel van de dorpsgemeenschap participeerde,[12] blijkt dat volgende loten werden aangeboden: een gareel, kussen, eg en een lankwagen. Overduidelijk benodigdheden voor de moderne achttiende-eeuwse paardenboer. Uit de boedelbeschrijving kan worden afgeleid dat Brijs minstens drie kinderen had en dat één van zijn twee zonen zinnens was het familiebedrijf verder te zetten. Deze deductie kan gemaakt worden door de aan- en verkoop van de individuele loten te onderzoeken. Eén zoon koopt 75 procent van de goederen bij de veiling op, waaronder diegene vitaal voor de verderzetting van het bedrijf. Aannemelijk is dat de opbrengst van deze boedelverkoop werd gebruikt als compensatie voor de andere kinderen. Brijs’ dochter kocht de goederen op die gebruikt werden in de huisnijverheid, een haspel en spinnenwielen. Christian Vandenbroeke toont in zijn werk aan hoe belangrijk deze industrie was voor de ontwikkeling van de regio; de helft van alle boedelbeschrijvingen maakt gewag van spinnenwielen of weefgetouwen.[13]

Deze familie hanteert dus een bewuste strategie om hun grond, bezittingen en vermogen samen te houden. De (oudste) zoon zet de kern van het familiebedrijf voort als paardenboer en de dochter kan in haar verder levensonderhoud voorzien via de productie van textiel in de huisnijverheid. De derde zoon koopt enkele mindere stukken op. Hij woont op de Brusselse Steenweg en lijkt niet geïnteresseerd in de voortzetting van het familiebedrijf. Hij was in het bezit van zijn eigen grond voor het overlijden van de vader.

Een gelijkaardig verloop speelt zich veertig jaar later af bij het overlijden van Jacqueline Van Landuyt, ook wonende in de wijk Goede Zijde. Alhoewel de familie minder vermogend is dan de familie Brijs, zitten ze toch ver boven het gemiddelde. Eén zoon kocht alle loten op en het is verleidelijk om te besluiten dat deze zoon enig kind was, maar dit valt te betwijfelen. Frank Daelemans stelt in zijn onderzoek dat bijna 93% van de huishoudens in Grimbergen in 1795 tussen drie en negen personen telde.[14] Waarschijnlijk is dit dus ook een doelbewuste strategie om de continuïteit van het familiebedrijf te verzekeren. Ook hier wordt wederom melding gemaakt van een zadel, wagen, ploeg, slede en eg: noodzakelijke benodigdheden voor een paardenboer.

Wat opvalt in 1790, is dat in Goede Zijde significant meer mensen zijn gaan wonen dan in 1750. In andere delen van het dorp is dit percentage gedaald of slechts licht gestegen. De reden is onbekend, maar betere wijken hebben altijd een zekere aantrekkingskracht. Ondanks de stijging van het aantal bewoners is de volledige wijk toch hoofdelijk verarmd. Vooral het aantal zeer arme mensen valt op. Alle indicatoren (mediaan, gemiddelde en modus) zijn gedaald.[15] Het gemiddelde daalde van veertig naar achtentwintig. De mediaan van twintig naar veertien en de modus zelfs van negen naar minder dan een halve gulden! De rijkste belastingplichtige is iets rijker dan in 1750, maar rekening houdend met inflatie, zou je ook hier uitkomen op een stagnering of zelfs verarming.[16] Dit kan verklaard worden door een verdere versnippering van het landbouwareaal en bijgevolg een verarming van de populatie in zijn geheel. Dit strookt met het werk van Franklin Mendels die ook een verarming van de huishoudens vaststelt.[17]

De rurale herberg. Plaats van vele openbare verkopen. Bron: Egbert van Heemskerk. Het interieur van een herberg (eerste helft achttiende eeuw)

Bij de armere gezinnen is het betoog minder éénduidig. De zoon en dochter van Marie Van De Winckel uit Kwade Zijde kopen het grootste deel van haar bezittingen op in 1750. Hun moeder was arm. Zij behoorde met een taks van twee gulden per jaar tot het laagste percentiel. Het is echter onduidelijk of hier een bewuste familiestrategie aan ten grondslag ligt. De aangekochte loten dienden waarschijnlijk om te voorzien in hun eigen levensonderhoud en waren dus noodzakelijk. De openbare boedelverkoop van Anna De Rijcke, ook uit Kwade Zijde, in 1790 vertelt een ander verhaal. Deze familie situeert zich met een taks van 1,75 gulden per jaar ook in het armere deel van de bevolking. Haar echtgenoot koopt enkele kleine stukken op maar de spinnenwielen en het gereedschap worden aan buitenstaanders verkocht. Het familiebedrijf zal niet verdergezet worden.

Aantal huishoudens en grondbelasting in Erembodegem en haar wijk Goede Zijde. Bron: Stadsarchief Aalst, Oud Archief Erembodegem, staten van goed, nrs. 1369–78 en 1404–13 en zie ook SAA, Oud Archief Erembodegem, settingen, nrs. 251 en 255.

Uit deze zéér beperkte testcase zou men kunnen besluiten dat vermogende families een andere overlevingsstrategie hanteerden dan families uit kleinere landbouwbedrijven. Zij kozen voor de verderzetting van het familiebedrijf in beperkte handen en konden zo wellicht hun macht en status behouden. Families met een beperkt vermogen kochten enkel spullen op voor hun eigen levensonderhoud. Dit verklaart mede de toenemende polarisatie in de achttiende eeuw maar verder onderzoek is zeker nodig, onder meer of deze these ook opgaat in andere dorpen en gemeenschappen. Een open vraag dat niet onderzocht is in dit artikel is de welwillendheid van de andere kinderen die het familiebedrijf niet konden (mochten?) verderzetten. Kregen zij uitsluitend een monetaire vergoeding na de boedelverkoop of werkten zij later toch mee in het familiebedrijf in loondienst?

 

 

 

[1] Reinoud Vermoesen, Markttoegang en ‘commerciële’ netwerken van rurale huishoudens. de regio Aalst, 1650-1800, Historische economie en ecologie, Gent, Academia Press, 2011.

[2] Reinoud Vermoesen, “Over wezen en wafelijzers : mogelijkheden en beperkingen van staten van goed in het historisch onderzoek”, Bladwijzer: wegwijs met Heemkunde Vlaanderen, 1/2, 2011, 16.

[3] Ilja Van Damme en Reinoud Vermoesen, “Second-hand consumption as a way of life: public auctions in the surroundings of Alost in the late eighteenth century”, Continuity and change, 24/2, 2009, 277.

[4] Reinoud Vermoesen, “Paardenboeren in Vlaanderen. Middelaars en commercialisering van de vroegmoderne rurale economie in de regio Aalst 1650-1800”, Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis, 7/1, 2010, 3-37.

[5] Reinoud Vermoesen, Markttoegang en ‘commerciële’ netwerken van rurale huishoudens. de regio Aalst, 1650-1800, 144.

[6] Ibidem, 146.

[7] SAA, Oud Archief Erembodegem, settingen, nrs. 251 en 255.

[8] Stadsarchief Aalst, Oud Archief Erembodegem, staten van goed, nrs. 1369-78 en 1404-13.

[9] Erik Thoen, “Landbouwekonomie en bevolking in Vlaanderen gedurende de late middeleeuwen en het begin van de moderne tijden. Testregio: de kasselrijen van Oudenaarde en Aalst (eind 13de – eerste helft 16de eeuw”, Belgisch centrum voor landelijke geschiedenis, 90, 1988, 22.

[10] Jozef De Brouwer, “Demografische evolutie van het Land van Aalst, 1570-1800”, Gemeentekrediet. Historische Uitgaven, 18, 1968, 117. De belastinginner per gezinshoofd vermeldde het verschuldigde bedrag. Indien alle huishoudens verplicht waren om bij te dragen, dan komt het aantal belastingbetalers overeen met het aantal huishoudens.

[11] Reinoud Vermoesen, “Over wezen en wafelijzers: mogelijkheden en beperkingen van staten van goed in het historisch onderzoek”, 1.

[12] Van Damme en Vermoesen, “Second-hand consumption as a way of life”.

[13] Christian Vandenbroeke, “De proto-industriële en de industriële ontwikkeling van België in het kader van de internationale historiografie”, Belgisch tijdschrift voor filologie en geschiedenis, 63/2, 1985, 310-323, 321.

[14] Frank daelemans, “Onderzoek naar de omvang en samenstelling van de huishoudens te Grimbergen en in Midden-Brabant op het einde van de 18e eeuw”, Belgisch tijdschrift voor filologie en geschiedenis, 59/1, 1981, 245-315, 278.

[15] Zie bijlage 2. Mediaan = de middelste waarde. Modus = de meest frequente waarde. Gemiddelde = som van de waarden gedeeld door de waarnemingen.

[16] SAA, Oud Archief Erembodegem, settingen, nrs. 251 en 255

[17] Franklin F. Mendels, “Proto-Industrialization: The First Phase of the Industrialization Process”, The Journal of Economic History, 32/1, 1972, 250.

Categories:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *