Inleiding

Als een historisch monster van Loch Ness duikt de discussie over al dan niet misplaatste monumenten die herinneren aan de koloniale geschiedenis van België op in de media. Getuigen ze van achterhaalde blanke superioriteit? Zijn het relicten van een zwarte bladzijde uit de Europese geschiedenis die we best niet vergeten? Ook de soms zeer emotionele discussies over de ‘echte’ zwarte piet die beter zou transformeren in een historisch meer verantwoorde ‘roetpiet’,[1] is een variante op dat zelfde thema. Hetzelfde geldt voor de eis tot teruggave van geroofde etnische kunst of de onverwachte kritiek op de heropvoering in 2017 van het satirische toneelstuk van Hugo Claus over Leopold II uit 1967.

Spijtig genoeg staat er op het grondgebied van het oude Land van Aalst – bij ons weten – geen standbeeld van Leopold II of andere monumenten zoals dat van Lippens en De Bruyne (‘die de heldendood stierven voor de beschaving’) in Blankenberge. Spijtig omdat die discussie een goede gelegenheid is om de historische context nog eens aan te snijden en om ons vragen te stellen over ons verleden. Dat verleden is immers nooit volledig voorbij, het leeft voort in het heden. Dat negeren of verdringen kan leiden tot ongezonde situaties. Hoewel in de pers vaak de ‘zwarte piet’ naar het geschiedenisonderwijs wordt toegeschoven omdat er te weinig aandacht zou gaan naar de verantwoordelijkheid van Leopold II en de Belgische regering in de dekolonisatieperiode, is de gangbare definitie van kolonisatie tegenwoordig: een fundamenteel ontwrichtend regime van systematische uitbuiting. Deze periode komt in de meeste geschiedenishandboeken sinds de jaren ’90 reeds aan bod.[2]

In Aalst moeten we het stellen met een Leopoldlaan, en dan nog is het op het eerste zicht niet echt duidelijk of het over de stichter van de Belgische kolonie gaat.[3] Dan heeft Oudenaarde tenminste nog een mysterieus exotisch Tacambaroplein,[4] Dendermonde een standbeeld voor pater Pieter-Jan De Smedt, die als ‘Grote Zwartrok’ de indianen of Native Americans van Missouri  bekeerde (1821 -73).[5]  In andere steden of gemeenten uit het voormalige Land van Aalst zijn er ook weinig verwijzingen te vinden. Zelfs geen straatnamen in Burst, Erpe-Mere, Haaltert,  Lede, Zottegem, …

Den Olifant, Geraardsbergen. Bron: https://9500news.wordpress.com/2017/01/09/geraardsbergen-door-chauffeurke-den-olifant/

Geraardsbergen vormt daarop een uitzondering met ‘Den Olifant’,[6] het monument aan de voet van het Grupellopark, ter ere van de overleden Geraardsbergse kolonialen opgericht in 1949 (onder het beeld  staat de vermelding ‘gevallen in dienst van de beschaving’ onder andere pater Jules Van Trimpont en Walter-Willy Martens). In januari 2017 werd er een informatiebord aangebracht met daarop de melding dat het niet de bedoeling was de kolonisatie te verheerlijken.[7]

In Wetteren werd weliswaar Emile Storms geboren (° 1846, + 1918), die een expeditie leidde in Noord-Katanga in de jaren 1882-85 voor de AIA (Association Internationale Africaine). Maar zijn standbeeld staat op de Brusselse de Meeûssquare.

Die terugkerende aandacht kan helpen om de feiten, de interpretaties en de soms hoogoplopende emoties in de juiste historische context te plaatsen. In de tweede helft van de negentiende eeuw werd kolonisatie gepercipieerd als een weldaad voor de kolonies die daardoor deelachtig werden aan de beschaving. Dat de plaatselijke bevolking uitgebuit werd, was niet zo raar want ook de Europese proletariërs werden uitgebuit. En toch waren er ook toen al mensen die kritische geluiden lieten horen: priester Daens bijvoorbeeld die het geldverspilling vond die beter de Belgische arbeiders ten goede kon komen.[8] Of de socialisten: ‘Dat meeslepende motief voor de koloniale symfonie (toekomstig geldgewin via de onmetelijke bodemschatten) dient om de stem van het geweten en de klachten van de negers te smoren. (…) Ik zou willen dat de geschiedenis kan vertellen dat België een zo trotse en nobele vrijheidsliefde koesterde dat zij een kolonie weigerde om geen andere mensen te hoeven onderwerpen’.[9]

De Britse cartoons uit die periode waren nog explicieter (Punch, 1906): waarbij Leopold II wordt voorgesteld als een rubberen wurgslang…

Britse cartoon Leopold II als rubberen wurgslang (Punch, 1906). Bron: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Punch_congo_rubber_cartoon.jpg  Punch, 28 November 1906

Na de overdracht van Leopolds privékolonie aan de Belgische staat in 1908, raakte de kritiek op het wanbeleid van Leopold II  in de vergeethoek. Deze episode werd door de Belgen blijkbaar al vlug weg geduwd in het collectieve onderbewustzijn. In 1911 verscheen in De Volksstem (uitgegeven in Aalst)  een reeks artikelen van de Geraardsbergse oud-volksvertegenwoordiger Vincent DIERICX (1862 – 1947)[10] naar aanleiding van een zeven maanden durende rondreis door Kongo. Over zijn motieven is hij zeer duidelijk: ‘Den vierden maart aanstaande vertrek ik om mij nog meer te gaan overtuigen van het menschlievend beschavingswerk in Afrika, door den grooten koning Leopold II tot stand gebracht’.[11] Bij de onafhankelijkheidsviering van Congo in 1960 was koning Boudewijn zelfs zo ondiplomatisch te verwijzen naar ‘het genie van Leopold II die niet naar hier gekomen is als veroveraar maar als brenger van de beschaving’.[12]

De Aalsterse Leopoldstraat verwijst trouwens naar Leopold I want ze ontstond in 1835 als herbenaming van de Kattestraat. Toen in 1927 deze straat haar oorspronkelijke benaming terugkreeg, moest een nieuwe locatie gevonden worden: de huidige Leopoldlaan, voorheen Kloosterstraat.[13]

En toch heeft Aalst ook zijn duit in het koloniale zakje gedaan, zowel via ontdekkingsreizigers, soldaten, missionarissen als investeerders en bestuurders. Hier volgt een beknopt overzicht waaruit enerzijds die diversiteit duidelijk blijkt, maar anderzijds ook hoe veel sporen er van onze koloniale geschiedenis in Aalst terug te vinden zijn. Zeker nu de tijd dat er in bijna elke Vlaamse parochie wel een nonkel pater of tante nonneke in de missies zat, voorbij is.

Sporen in het Land van Aalst

Albert BOONE[14]

Boone (° 1869 in Aalst, + 1908 in Kinkanda) groeide op in het ouderlijk huis in de Dirk Martensstraat 16. Hij scheepte na zijn legerdienst te Antwerpen in (18/7/1891) om in Congo-Vrijstaat dienst te doen als sergeant van de Force publique, het leger van Kongo-Vrijstaat. In april 1892 werd hij chef de poste in Dungu (Noordoost Kongo). In 1894 vergezelde hij de expeditie Van Kerckhove tot aan de Nijl. In 1895 was hij als luitenant gelegerd in Bima, Uele en nam hij deel aan een tweede expeditie.[15]

In 1899 stapte hij over naar ‘La Centrale Africaine’ van burgemeester Leo Gheeraerdts.[16] Deze maatschappij stond in voor rubber- en ivoorexport en was actief in het bassin van Kasai. Daarna werkte hij er als directeur voor een door Aalstenaars gesticht caoutchoucbedrijf van La Centrale Africaine.  La Centrale Africaine maakte zoals La Djuma, waarbij Leon de Béthune ook betrokken was, deel uit van de Compagnie du Kasaï  (zie verder). In 1898 werd hij vereerd met de medaille ‘Etoile de Service à deux raies’. Deze burgerlijke onderscheiding was in 1889 door koning Leopold II ingesteld voor mensen die zich hadden verdienstelijk gemaakt in Kongo-Vrijstaat. De zilveren strepen verwijzen naar het aantal missies ter plaatse. Op de achterkant van de ster staat het motto vermeld : ‘travail et progrès’.

Albert Boone (uit: J. Louies De Dirk Martensstraat: waardevol stadszicht?)

In 1899 schreef hij een artikel ‘Sur le poste de Bima’ dat merkwaardig genoeg verscheen in ‘Mouvement anti-esclavagiste’. Maar deze publicatie onder redactie van Louis Delmer van de Société anti-esclavagiste  de Belgique was vooral gericht tegen de Arabische slavenhandelaars.

Hij overleed er in 1908 als gevolg van een ziekte, slechts 39 jaar oud.

Een extract uit zijn reisverhaal luidt als volgt: ‘Hij kreeg versterking in manschappen die tot den arbeid en het vervoer moesten dienen: het waren weerspannige kerels; aan den eenen stam hadden ze vrouwen ontstolen, aan den anderen hunnen oogst: zelfs hadden ze inlanders durven doden… Alsdan echter waren het hooggegradeerden welke de misdrijven begingen. De omliggende bevolking kloeg openlijk den Egyptischen majoor aan, welke van hen inderdaad onder doodsbedreiging, ossen, geiten en andere levensmiddelen opeischte. Boone verschool zich op eene geschikte plaats in de hooge grassen en wachtte. Tegen één uur in den morgend zag inderdaad onzen Aalsterschen held de majoor de rivier Dongu oversteken en kort daarop te voorschijn komen, een os en verschillende geiten meesleurend. Boone kwam uit zijnen schuilhoek te voorschijn: zich overvallen of liever verrast ziende, wilde de majoor zich tot schieten gereed maken, doch onzen Aalstenaar, in staat van wettige zelfverdediging, mikte met zijn geweer juist op het geschikte oogenblik: de majoor rolde, met doorschoten kop, ten gronde’.[17]

Ook zijn broer, Fernand BOONE (° 1871 in Aalst, +1901 in Kioula, Djuma), was in Congo actief: eerst als onderofficier van de Force Publique van 1896 tot 1899 en daarna ook als agent van de Société Centrale Africaine (Kasai). Ook hij overleed vroegtijdig: amper 30 jaar oud…[18]

Jan DE WINDT

Jan De Windt (1876 – 1898) groeide op in het ouderlijk huis op het Keizerlijk Plein (en nadien in de Nieuwstraat). Diens vader was dokter in de heel- en vroedkunde. Hij studeerde geologie in Gent, Wenen en Berlijn en behaalde de graad van doctor in de natuurwetenschappen, specialisatie mineralogie. Als bestuurslid van het liberale Willemsfonds ijverde hij ook voor de vervlaamsing van de Gentse hogeschool.

Jan De Windt (LvA, 2016, nr. 2, p. 117 )

‘September 1898: Jan De Windt is verdronken op het Tanganikameer, nog maar 22 jaren oud. Het ongeluk werd veroorzaakt door een onweder te Moliro (Belgisch Kongo). Hij was in maart 1898 vertrokken als tweede commandant der wetenschappelijke expeditie Lemaire die zich van de oostkust van Afrika Kongowaarts begaf langsheen de boorden van de Zambesi om er topografische, etnologische, geologische en natuurkundige navorsingen te verrichten. Charles Lemaire[19] (1863-1926) vertrok op 28 mei in Mozambique en bereikte na 500 dagen de Afrikaanse westkust. Hij was van 1890 tot 1897 commissaris van het Equatordistrict’.[20] Hij verzamelde in Afrika enkele planten die aan hem werden opgedragen door de Belgische botanisten. Professor Schoep vernoemde in 1922 een nieuw radioactief mineraal dat in Katanga ontdekt was naar hem.[21]

Léon de BETHUNE (1864-1907)[22]

Deze telg uit een katholieke adellijke familie trad in de voetsporen van zijn vader als politicus door gemeenteraadslid, schepen en volksvertegenwoordiger te worden voor de katholieke partij. Zijn zwakke gezondheid maakte in 1887 reeds een einde aan zijn diplomatieke carrière, maar hij maakte zich op andere manieren verdienstelijk. Hij zette zich vanaf 1888 in om de religieuze politiek van de onafhankelijke Congostaat onder de aandacht te brengen van de Belgen om zo steun te verwerven van katholieke landgenoten voor het Afrikaanse werk van de vorst en om roepingen van missionarissen naar Congo te stimuleren. Waarschijnlijk werd hij daarin ook geholpen door zijn schoonbroer, Edouard Descamps, professor internationaal recht aan de katholieke universiteit te Leuven, die ook een functie bekleedde in het ‘Institut Colonial International’ en de Hoge raad van de Onafhankelijke Congostaat’.

Vandaar ook de publicatie van zijn Missions catholiques d’Afrique in 1889, waarin hij zich zeer lovend uitliet: ‘Nul bon citoyen ne saurait rester indifferent devant cette oeuvre sans précédents. Colossale en effet l’entreprise de Roi, si on la considère aux seuls points de vue de la politique et du commerce; plus grande encore cependant, si on envisage ses immenses résultats quant à la civilisation et l’évangélisation de cent millions[23] de nègres.’[24] Hij stak zijn bewondering voor Leopold II in debatten in de Senaat niet onder stoelen of banken: ‘Dans cette oeuvre grandiose, le premier rôle appartient à Sa Majesté Leopold II. Il en est le grand, le seul initiateur. Il en est le pionnier le plus ferme. Il en restera à travers tous les âges le héros et l’incarnation la plus généreuse’.[25]

Ook zijn vader, baron Paul de Bethune, werd geloofd als één van de eerste aanhangers van de Afrikapolitiek van koning Leopold II. Zo verdedigde hij in de Senaat in juli 1889 met verve het voorstel tot staatsparticipatie in de Compagnie du Chemin de fer du Congo.[26]

Léon de Bethune http://www.stichtingdebethune.be/nl/node/253/

Hij had contacten met abt Van Impe[27], directeur van het Sint-Lodewijk van Gonzaga onderwijsinstituut in Gijzegem, dat zich wijdde aan de opleiding van jonge Congolezen in België.[28] Een belangrijk doel was de doelstellingen van de kolonisatoren beter doen begrijpen en hierdoor later beter kunnen inschakelen in de Kongolese administratie. Léon de Bethune vond dit zelf eigenlijk een geldverslindend project, dat trouwens na vijf jaar werd stop gezet. Het had toen ook geen zin meer vermits in Congo zelf diverse kloosterordes (Jezuïeten en Scheutisten) begonnen waren met onderwijs ter plaatse in het kader van hun evangelisatiewerk.

In 1889 richtte hij in Aalst een plaatselijk comité op van het Afrikaanse Rode Kruis en een jaar later een plaatselijk comité voor het Belgisch Anti-slavernij Werk. Vanaf 1889 ging hij zich op uitdrukkelijk verzoek van de vorst bezig houden met de missionering van Kongo, waarvan hij enkel voordelen zag: ‘met behulp van talrijke katholieke zendelingen[29] en met volharding zal men op een duurzame wijze dit ongelukkig volk tot een nieuw leven brengen: het zonder achteruitgang al de graden van den vooruitgang doen bereiken’.[30] Bovendien moest ‘la croisade nouvelle assurer pleinement aux malheureux nègres les bienfaits de la sécurité personelle et de paix, et leur apprendre ainsi à saluer dans les blancs des frères et des libérateurs’.[31]  Het tegengaan van de negatieve invloed van de Islam (o.a. polygamie) op zwart Afrika speelde daarin ook een rol.

In september 1891 was hij op het Congres van de Katholieken in Mechelen de welsprekende promotor van de  Belgische missies in Kongo. Hij verkreeg ook de steun van de Jezuïeten voor de evangelisatie van en missionering in Congo.

Hij werd als doctor in de rechten en jong katholiek parlementslid door koning Leopold II van nabij betrokken bij het bestuur van de Vrijstraat Congo. Van 1890 tot 1898 was hij secretaris van de Hoge Raad van Congo-Vrijstaat en van 1899 tot aan zijn dood was hij er raadsheer. Dit was niet enkel een adviesraad, maar ook een wetgevend orgaan evenals opperste gerechtshof voor de Kongostaat.

In 1892 publiceerde hij een artikel in Le Bien Public waarin hij de stelling verdedigde dat Congo- Vrijstaat het recht had om grond in bezit te nemen die door de plaatselijke bevolking niet gebruikt werd en dat dit niet strijdig was met artikel 5 uit de Akte van Berlijn van 1885. Sommige Belgische commerciële groepen vonden dat dit neerkwam op monopolievorming en hen mogelijks benadeelde.

De Compagnie de commerce du Haut Congo kwam in conflict met Leopold II door diens verbod op handel in ivoor en rubber in het gebied van de Uele, het grensgebied in het Noord-Oosten van Kongo. Volgens de Compagnie kwam dit neer op monopolievorming met het oog op persoonlijke verrijking…[32]

Hij moest ook aanvallen op de Congopolitiek van Leopold II pareren vanuit Groot-Britannië. Hij kreeg daarbij hulp van zijn ex-stadsgenoot, priester Auguste Boone[33] die naar Engeland was verhuisd. Daardoor kon hij de ‘Catholic Press Limited’ aan de kant van de Kongostaat krijgen. De ontvolking van Kongo verklaarde hij door te wijzen op de zware gevolgen van de slaapziekte en wantoestanden werden als” geïsoleerde feiten” geminimaliseerd.

Hij was commissaris-generaal van de grote Congo-exposities die plaats vonden in Antwerpen (1885 en 1894) en in Tervuren (1897). Het belangrijkste doel daarbij was ‘den bezoeker vooral van de nuttige zijde der onderneming op de hoogte stellen en tevens het bewijs leveren van den onmeetlijken vooruitgang die Congo op enkele jaren heeft gedaan’. Daardoor werd ook het nut van de katholieke missies aangetoond. Als commissaris-generaal van de Kongolese sectie wou hij op de wereldtentoonstelling van 1897 in Brussel een ruimere plaats voor de missies in Kongo.

In 1899 werd hij belast met een onderzoek naar de zending van de missies in Congo. De civiliserende taak en de evangelisatie van de zwarten was volgens hem een categorische imperatief.  Hij vond het ‘zijn dringende plicht om het ongelukkige volk al de graden van den vooruitgang te doen bereiken’. Zo ging de Bethune meer en meer als financiële tussenpersoon van de koning fungeren in godsdienstige zaken. Een voorbeeld daarvan is een cheque van 100.000 fr. op naam van de Bethune om de abdij van Westmalle te steunen voor haar vesting in Congo.[34]

Hij bereidde mee de overdracht voor van Congo Vrijstaat  aan het koninkrijk België als kolonie  Belgisch-Congo. Leopold II wou hem voor de geleverde inspanningen belonen en bood hem in 1907 het ministerschap voor de kolonies aan. Maar Léon de Bethune moest daaraan verzaken door zijn zwakke gezondheidstoestand.[35] In datzelfde jaar zou hij op 43-jarige leeftijd vroegtijdig overlijden.

Léon de Bethune voerde ook een investeringspolitiek in Kongo die niet zonder risico was en niet altijd winst opleverde. Hij investeerde in de African Steamship Company en in de Compagnie Belge maritime du Congo.[36] Deze was in 1895 opgericht en Léon de Bethune zat als administrateur in de raad van bestuur als vertrouweling van Leopold II. Van 1898 tot 1903 werd er echter verlies geleden. Pas in 1903 werd opnieuw bescheiden winst gemaakt.

Van de Société maritime du Congo was hij beheerder en aandeelhouder van 1895 tot 1901. Maar in dat jaar volgde al de liquidatie. Ook de Compagnie Générale coloniale, waarvan hij eveneens beheerder en aandeelhouder was, leed financieel verlies.[37]

Hij was tevens betrokken bij het beheer van het plantagebedrijf La Djuma. Dit was één van de dertien maatschappijen die deel uitmaakten van de Compagnie du Kasaï  die de exploitatie van Kasaï, de vruchtbare regio ten westen van Katanga, tot doel had. La Djuma was in 1897 opgericht en beheerd door de ultrakatholieke familie van de Gentse textielbaron J.B. de Hemptinne.[38] Ze had als doel de commerciële infrastructuur voor de exploitatie van grondstoffen en afgewerkte producten uit te bouwen. Léon de Bethune was aandeelhouder tot 1901 en werd ingeschakeld om een concessie voor rubberexploitatie te krijgen van Leopold II in het district Uele, in het Noord-Oosten van Kongo.

Hij was als voorzitter nauw betrokken bij de oprichting in 1898 van La Centrale Africaine, een concessie van 2000 hectare groot op de oevers van de Djuma (centraal Congo) voor rubberexploitatie. De verwerking gebeurde vanaf 1900 in het “Caoutchou”fabriek te Aalst. Maar deze werd in 1902 reeds overgenomen door La Centrale Belge.  In de NV La Centrale Africaine waren alle aandeelhouders afkomstig uit Aalst en omstreken, o.a. Leo Gheeraerdts (katholiek burgemeester 1896 – 1914 en senator), baron Romain Moyersoen (van 1895 tot 1932 katholiek gemeenteraadslid, van 1908 tot 1921 schepen en van 1925 tot 1933 burgemeester), Paul De Clippele[39] (katholieke burgemeester van Gijzegem van 1908 tot 1921), notaris Charles De Vis (tevens grootgrondbezitter en stamvader van een vrome, conservatief-katholieke familie, die in 1905 een politiek mandaat opnam in de Oost-Vlaamse provincieraad voor de katholieke partij)[40].  Leon Geerinckx, T. en E. Moens (van de gelijknamige textielververij), Pierre Grillaert en dr. Theo de Naeyer (katholiek gemeente- en provincieraadslid, industrieel en financier van de katholieke krant De Volksstem) namen ook deel aan het beheer van de Centrale Africaine.[41] In 1904 volgde echter al de ontbinding.

De Bethune publiceerde studies over de strijd tegen de slavenhandel, over de katholieke missies in Afrika en over de wijze waarop het initiatief van Leopold II in de Britse publieke opinie werd beoordeeld: Les puissances européennes et la traite des nègres depuis le Congrès de Berlin, Brussel, 1889; L’Etat Indépendant du Congo et l’opinion anglaise, in: Revue Générale, 1903; Le débat sur le Congo en Angleterre, in: Revue Générale, 1903.

In een kritisch overzichtswerk van recentere datum wordt hij ‘stroman’ van Leopold II genoemd die ‘sterk met de Leopoldistische praktijken geassocieerd werd daar hij mee voor de propaganda had ingestaan en de misbruiken had afgedaan als geïsoleerde incidenten’.[42] In de thesis van Nele Strypens wordt hij gekarakteriseerd als ‘vertrouwenspersoon, spreekbuis en agent van Leopold II’, ‘pleitbezorger van de missionering in Kongo’ en ‘verdediger van eigen financiële belangen’.[43]

Louis de BETHUNE (Aalst,5/8/1872 – 29/1/1939) was  eveneens een zoon van Paul de Bethune en de broer van Léon de Bethune, tevens katholiek volksvertegenwoordiger van 1912 tot 1932. Doctor in de rechten van de Katholieke Universiteit Leuven, werd adjunct-kabinetschef van de staatssecretaris van de Congo-Vrijstaat. Deze functie werd van 1885 tot 1900 uitgevoerd door Edmond Van Eetvelde.[44] Deze heeft een onverwachte link met Aalst in die zin dat diens vader afkomstig was uit Aalst en hijzelf in 1885 trouwde in Aalst met Esther Livionnois, van de bekende Aalsterse fabrikantenfamilie. Hij was net als Léon de Bethune nauw betrokken bij de expo van 1897 in Tervuren.

Jacques GEERINCKX (°1913, + 1943) werkte in het begin van de jaren 1930 in het Noorden van Belgisch Kongo op een plantage in Bujala, gelegen in de provincie Zuid-Ubangi in het N-W van het land.

Baron Romain MOYERSOEN maakte in 1937 een eerste reis naar Belgisch Kongo en ‘stelde vast hoe ver de kolonisatie en de welvaart van de inlandse bevolking waren gevorderd’. Hij was toen voorzitter van de Senaat en vol bewondering voor het werk der missionarissen en in het algemeen voor het werk dat zijn landgenoten er hadden verricht.  In juli 1950 keerde hij, gecoöpteerd senator zijnde,  er terug om de huldiging te vieren van een fabriek die het Aalsters bedrijf Roos-Geerinckx en De Naeyer er had opgericht.[45]

En dan zijn er nog de kleine piotten wiens namen zeker tussen de plooien van de geschiedenis zijn verdwenen, [46] bijvoorbeeld: zuster Marie COPPENS (° Aalst in 1862, + Melle 1919) die van 1896 tot 1912 als ziekenverpleegster actief was in Kongo (Moanda en Kinkanda) en zuster Hildebrand, LEBON Marie (° Zottegem in 1872, + Lokeren in 1902) wiens gezondheid sterk verzwakte door haar verblijf in de tropen.

COPPENS Leon (°Lede 1875, + Lovo 1898) als agronoom werkzaam in Temvo en als achttienjarige overleden aan hematurie.

D’HOOGE Octaaf (° Wichelen in 1857, + Zele in 1899) stond als priester vanaf 1892 de arbeiders bij die werkten aan de aanleg van de spoorweg Matadi – Stanleypool.  Hij werkte ook onvermoeibaar aan de bouw van een kerk en een bibliotheek in Matadi. Maar zijn gezondheid werd daarbij ondermijnd.

DE POTTER Jules (° Ename in 1868, + Ronse in 1912) was als zonechef actief.

DE RIEMAECKER Achilles (° Berchem, bij Oudenaarde in 1850, + Leopoldville in 1893) was sergeant in de Force Publique maar werd getroffen door een zonneslag.

DE SMET Désiré (° Sint-Goriks-Oudenhove in 1867, + Lisaba in 1900) was onderofficier bij de Force publique, maar werd getroffen door eczema en dysenterie waardoor hij op 33-jarige leeftijd overleed.

GLORIE Charles (° Okegem 1872, + Stanleyville 1901) was als onderluitenant van de Force publique circa 1894 betrokken bij een campagne tegen Arabische slavenhandelaars. Overleed op 29-jarige leeftijd aan dysenterie.

LEJEUNE Jules (° Geraardsbergen in 1870, + Thysville in 1909) was actief in de koloniale administratie maar werd getroffen door moeraskoorts.

VAN CATTENDYCK Hector (° Dendermonde 1871, + Nsekololo 1892): sergeant bij de Force publique, na hevige koorts overleden op 21-jarige leeftijd.

VAN DER BREMPT Urbain (° Aalst in 1873, + Antwerpen 1906) die in 1900 als klerk vertrok naar de Stanleypool en in 1903 postoverste werd in Moengo. Maar daar een ziekte opdeed en reeds op 33-jarige leeftijd overleed.

VEREECKEN Emiel (° Gijzegem in 1886, + Coquilhatstad in 1938) was districtscommissaris in Lulonga.

VERSCHELDEN Jean Baptiste (° Aalst in 1866, + Luik in 1931) was als officier actief bij de Force publique.

Opmerkelijk is dat 10 van deze 13 personen reeds voor hun 45ste overleden waren, meestal door de slopende invloed van het tropisch klimaat op hun gezondheid [47]. Blijkbaar is het koloniaal ‘avontuur’ niet enkel een zwarte bladzijde geweest voor de Kongolese bevolking, maar ook voor de kleine, Belgische pionnen.

Als we de sprong maken naar de dekolonisatiestrijd en de daarmee gepaard gaande troebelen eind jaren ’50 – 1ste helft jaren 60, dan kunnen we nog melding maken van Broeder Guido, Gilbert DE ZWAEF (°1931) uit Ter Joden, Erembodegem. Hij vertrok in 1956 naar Belgisch Kongo en werd in Baye belast met vakonderwijs in houtbewerking aan de technische school aldaar.[48] Hij werd vermoord in 1964 in Congo (Buto, Noord-Congo) tijdens de Simba-opstand (samen met zes andere Broeders van Sint Gabriël en nog 24 andere).[49] Naar hem werd in Erembodegem een straat vernoemd.

Broeder Guido De Zwaef, Bron:http://www.congo-1960.be/AuteurEddyMerveillie-Congo1965GijzelingEnMoordInHetBisdomBondo.html

Besluit

De perceptie van bepaalde historische feiten kan evolueren, zelfs omslaan in het tegendeel, alhoewel de feiten zelf niet veranderen. Wat wel verandert, is de context (grotere aandacht voor mensenrechten, multicultureel Vlaanderen) en de personen die percipiëren. Het koloniaal verleden van België is daarvan een mooi voorbeeld. Zeker door de multiculturelere samenstelling van de Belgische bevolking wordt de perceptie problematischer. Indien er een standbeeld van baron Léon de Bethune bestond zou er best een verklarende uitleg bij geplaatst worden over zijn rol in de kolonisatie van Kongo ten tijde van Leopold II. Merkwaardig is dan wel dat de plaatsing van het standbeeld in Velzeke van Julius Caesar, de veroveraar en onderwerper van ‘België’ in 1998 voor geen problemen of oprispingen zorgde of zorgt: blijkbaar beschouwen Vlamingen Caesar vooral als de man die onze voorvaderen deelachtig maakte aan de rijke cultuur van het Romeinse imperium…  Een gelijkaardig verschil in perceptie vinden we ook terug bij een jonge generatie Congolezen (o.a. de ngo Bamko- Cran, Conseil représentatif des associations noires) die de missionering niet meer ziet als de positieve kant van de kolonisatie, maar als gedwongen bekeringen. Eigenlijk was de kerstening van het heidense Europa in de vroege Middeleeuwen ook een geval van gedwongen bekering, maar hier wordt de christianisatie door de band genomen gezien als één van de grondslagen van onze Westerse beschaving… Uit de heisa die de roman Soumission van Michel Houellebecq in 2015 veroorzaakte, zou een islamitische missionering blijkbaar minder positief gepercipieerd worden. Hieruit blijkt nogmaals dat het verleden nooit voltooid verleden tijd is, maar doorwerkt in het heden en dat perceptie een complex fenomeen is.

Als er in Aalst zo veel sporen te vinden zijn naar onze koloniale geschiedenis is dat waarschijnlijk ook te extrapoleren naar de andere steden en gemeenten uit het voormalige Land van Aalst. Het is goed ons bewust te zijn van die –bijna- vergeten feiten. Dit kan het vaak emotionele debat over excuses aan het Congolese volk vanwege het Belgische koningshuis, de Belgische regering en de Belgische ‘haute finance’ beter kaderen.

Toeval of niet, maar eind 2019 verschijnt Alostville – De Aalsterse droom in Congo Vrijstaat van Dany D’HERDT, waarin de geschiedenis van La Centrale Africaine met de rol van Albert Boone en de Aalsterse aandeelhouders gereconstrueerd wordt.

 

Wouter Van der Spiegel

Babbelaarstraat 159

9300 Aalst

wouter.vanderspiegel@belgacom.net

Eindnoten

[1] Deze zou verwijzen naar de Germaanse god Wodan die gekerstend werd tot vruchtbaarheidssymbool. Hij verscheen als gebaarde grijsaard met wijde rode mantel en een speer in de hand op zijn achtpotig paard dat sneller liep dan de wind. De schoorsteen was van oudsher een verbindingsweg tussen goden en mensen.

[2] In 2008 schreef VUB-prof G. Vanthemsche hierover reeds een zeer genuanceerd artikel in Hermes, het tijdschrift voor geschiedenisonderwijs: Het kolonialisme, morele oordelen en historische analyse. Hermes, maart 2008, nr. 43, p. 7 – 11. In 2012 gaf het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika nog een zeer degelijke pedagogische publicatie uit: Congo: kolonisatie/dekolonisatie. De geschiedenis in documenten.

[3] Door een besluit van het schepencollege werd de Parklaan op 24 september 1944 omgedoopt tot Leopold II-laan. In oktober 1950 werd dit terug ongedaan gemaakt.

[4] Op dat plein staat een monument ter nagedachtenis van de tientallen vrijwilligers uit Oudenaarde die in april 1865 omkwamen bij de slag van Tacambaro tegen de Mexicaanse republikeinen. Zij kwamen Charlotte van België, dochter van Leopold I, en haar echtgenoot, Maximiliaan van Oostenrijk ter hulp. Deze laatste was op vraag van Napoleon III keizer geworden van Mexico (1864-67).

[5] http://users.telenet.be/pater.de.smet/pj/pagina10.htm

[6] D. Surdiacourt “Gedenkteeken der pioniers van Congo”, p. 58 – 64. – De Witte Congo, Congo ya pembe, Geraardsbergen, Gramaye-reeks nr. 4, 2008  Deel 1: Koloniale vergezichtenvoor Geraardsbergse thuisblijvers.

[7] I. Goddeeris. Een einde aan de koloniale propaganda. http://www.collateral-journal.com/index.php?cluster=6

[8] Charles Woeste, de grote antagonist van priester Daens, was een fervente voorstander van de koloniale politiek van koning Leopold II.

[9] Jules Destrée (14/7/1908): toespraak in de Kamer als antwoord op verklaring van premier F. Schollaert die de koloniale ambities van de Belgische regering verdedigde.

[10] Vincent Diericx was katholiek volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Aalst van 1894 tot 1898, voorzitter van de Koloniale Kring Geraardsbergen en initiatiefnemer voor het monument “Den Olifant”.

[11]De Volksstem, 2 maart 1911. http://aalst.courant.nu/issue/DVS/1911-03-03

[12] http://histotheek.classy.be/boudewijn30juni.html

[13] J. GHYSEN, Geschiedenis der straten van Aalst.

[14] Papiers BOONE, Albert. 1896 – 1901. 65.24. 1 farde.

http://www.africamuseum.be/collections/museum/collections/docs/memoiredesbelges.pdf

[15] J. LOUIES. De Dirk Martensstraat: waardevol stadsgezicht? p. 27-28. Aalst, 2001.

  1. COOSEMANS. Boone (Albert-Charles). – Biographie coloniale belge, dl. I, p.145. Brussel, 1947.

[16] Leo Gheeraerdt was een katholieke conservatieve politicus, schepen van financiën van 1888 tot 1896 en burgemeester van 1888 tot 1919. Hij had rechten gestudeerd en was naast industrieel ook rechter bij de Rechtbank van Koophandel.

[17] Reisverhaal over diens lotgevallen gepubliceerd door M. Gheeraerdts, katholieke oud-burgemeester (1896-1914). In het maandblad Nieuw Leven.

[18] Papiers BOONE, Fernand. 1896 – 1901. 65.24. 1 farde. https://www.africamuseum.be/docs/research/collections/archives/memoiredesbelges.pdf

[19] De foto’s van de expeditie Lemaire 1898-1900 in het Africamuseum in Tervuren: https://www.africamuseum.be/nl/discover/focus_collections/display_group_items?groupid=349

[20]  R. J. VAN DE MAELE, Jan de Windt, wetenschap en kennisoverdracht in de volkstaal. – Land van Aalst, 2016, nr.2, p. 117-132.

[21] M. COOSEMANS. Windt (De) Jean, – Biographie coloniale belge, dl. III, p. 928-930. Brussel, 1950.

[22] R. CAMBIER, Bethune, de Léon – Biographie coloniale belge, dl. III, p. 48-50. Brussel, 1951.  Luc DE RYCK, Baron  Léon de Bethune, in: Het Land van Aalst, 1982, nr. 1, p. 28 – 34.  A. ROEYKENS. Le Baron Léon de Béthune au service de Leopold II. Conflit de l’Etat du Congo avec certaines compagnies commerciales belges (jul.-oct. 1892). Brussel, 1964.

  1. STRYPENS, Léon Bethune en de Onafhankelijke Congostaat: Voor Vorst, Kerk en Vaderland, KULeuven, 1999.

[23] Vijftig bladzijden verder heeft hij het over slechts 30 miljoen: “Pour trente millions de nègres nous sommes les dispensateurs responsables de ce divin flambeau, de ce Rayon Rédemteur. C’est un mandat sacré que la Providence nous confie. Sachons le remplir”.

[24] N. STRYPENS, o.c., p. 49.

[25] N. STRYPENS, o.c., p. 48.

[26] J-M JADOT. Bethune, de Paul – Biographie coloniale belge, dl.V, p. 64.

[27] Petrus Van Impe: ° 1840 in Nieuwerkerken, + 1924 in Gijzegem. Priester gewijd in 1867. – L. SCHOKKAERT,  Biografisch repertorium priesters Bisdom Gent.

[28] O.a. Leopold Vidi, zoon van de chef van de Memlao, die in 1888 in België gedoopt was en genoemd werd naar de grote weldoener, koning Leopold II.

[29] Tussen 1891 en 1898 waren er o.a. 7 priesters uit Oost-Vlaanderen bij. N. STRYPENS, o.c., p. 85.

[30] Les missions catholiques d’Afrique, p. 273.

[31] Les missions catholiques d’Afrique, p. 318.

[32] N. STRYPENS, o.c., p. 137-8.

[33] Auguste Boone: ° 1840 in Aalst. Priesterwijding in 1864. Sinds 1862 werkzaam in Kent en later in het net opgerichte bisdom Southwark, later pastoor-deken van Chislehurst, Londen.

[34] A.M. DELATHUY. De Kongostaat van Leopold II. Het verloren paradijs, 1876 – 1900. p. 329. Antwerpen, 1989.

[35] N. STRYPENS, o.c., p. 156.

[36] De African Steam Ship Company werd hoofdaandeelhouder van de CBMC in ruil voor de inbreng van haar 2 stoomschepen. F. BUELENS, p. 162.

[37] N. STRYPENS, o.c., p. 120-124.

[38] F. BUELENS. Congo 1885 – 1960. Een financieel-economische geschiedenis, p. 87 (139). Berchem, 2007.        Hij was ook bestuurder van de in 1886 opgerichte CCCI (Compagnie du Congo pour le Commerce et l’Industrie) die via een dochtermaatschappij zorgde voor de aanleg van de spoorweg Matadi – Leopolstad.

[39] Paul De Clippele (°1864, + 1947) was sinds 1906 kasteelheer van Gijzegem, voordien schepen van Aalst, schoonbroer van de liberaal Maurits De Wolf. Stichter van de fabriek Usine de Caoutchou te Aalst en medestichter van de Compagnie du Kasai.

[40] J. LOUIES en D. GOOSSENS. Het patrimonium van “Visj”. Aalst, 2018.

[41] L. DE RIJCK. Baron Léon de Bethune. – Het Land van Aalst, jrg. XXXIV, 1982, nr. 1, p. 28-34.

[42] F. BUELENS. Congo 1885 – 1960. Een financieel-economische geschiedenis, p. 28 (9).

[43] N. STRYPENS. Léon Bethune (1864-1907) en de Onafhankelijke Kongostaat: voor Vorst, kerk en Vaderland. Kuleuven, 1999.

[44] J. STENGERS. Eetvelde, Van (Edmond). – Biographie coloniale belge, dl. II, p.327-352. Brussel, 1951.

Nouvelle biographie nationale, dl.7. Brussel, 2005.

[45] L. MOYERSOEN,  Baron Romain Moyersoen en politieke problemen van zijn tijd, 1870 – 1967, p. 366. Aalst, 1986.

[46] Biographie coloniale belge, dl. ; Biographie coloniale belge, dl. 2. Brussel, 1951; Biographie coloniale belge, dl. III, Brussel, 1951; Biographie coloniale belge, dl.V,

[47] De levensverwachting lag toen natuurlijk een stuk lager. In 1900 lag dat op 48 jaar voor de mannen en 52 jaar voor de vrouwen. In 1910 was dit al lichtjes gestegen tot 50 jaar voor de mannen en 54 jaar voor de vrouwen. https://statbel.fgov.be/nl/themas/bevolking/sterfte-en-levensverwachting/sterftetafels-en-levensverwachting

[48] J. DE BROUWER. Groot-Aalst. Dl. 3. Erembodegem, p. 171.

[49] https://www.congo-1960.be/AuteurEddyMerveillie-Congo1965GijzelingEnMoordInHetBisdomBondo.html

Categories:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *